op de hoger beroepen van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraken van de rechtbank Middelburg van 13 augustus 2009, 08/1166 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 08/1165 (hierna: aangevallen uitspraak 2),
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen (hierna: College)
Datum uitspraak: 20 december 2011
Namens appellant heeft mr. S.J. Nijssen, advocaat te Zierikzee, hoger beroepen ingesteld.
Het College heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting in de gevoegde zaken heeft plaatsgevonden op 16 november 2011. Voor appellant is verschenen mr. R. Wouters, advocaat te Zierikzee, als opvolgend gemachtigde. Het College heeft zich, zoals bericht, niet laten vertegenwoordigen.
1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1. Appellant woonde in een gemeubileerde kamer in Vlissingen en ontving in die gemeente bijstand. Hij heeft zich op 26 februari 2008 gemeld bij de Centrale organisatie werk en inkomen in Terneuzen voor het doen van een aanvraag om bijstand. Hij heeft daarbij vermeld dat hij woont op het adres [adres] te Sas van Gent.
1.2. Bij besluit van 14 april 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 november 2008 (hierna: besluit 1), heeft het College deze aanvraag afgewezen. Daartoe is overwogen, kort gezegd, dat appellant, gelet op het uiterst geringe water- en energieverbruik en de resultaten van het huisbezoek op 8 april 2008, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het opgegeven woonadres, zodat zijn recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
1.3. Appellant heeft op 2 april 2008 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de inrichtingskosten van zijn woning. Bij besluit van 19 mei 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 november 2008 (hierna: besluit 2), is deze aanvraag afgewezen. Ook aan deze besluitvorming is ten grondslag gelegd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij woont op het door hem opgegeven adres.
2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 1 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 2 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij nauwelijks bezittingen heeft, zodat hij bij het huisbezoek ook weinig spullen kon tonen. Bovendien was volgens hem wel sprake van enig energie- en waterverbruik.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Niet in geschil is dat bij het huisbezoek op 8 april 2008 nagenoeg geen persoonlijke bezittingen van appellant zijn aangetroffen. Op een matras na, was de woning niet ingericht. In de keuken waren geen voorzieningen om zelfstandig te koken en er was geen koelkast. Appellant heeft tijdens het huisbezoek meegedeeld dat hij weinig in de woning was omdat deze niet was ingericht, maar dat hij er wel woonde, omdat hij zich daar douchte en daar sliep. In dit verband acht de Raad van belang dat appellant bij het huisbezoek geen persoonlijke verzorgingsartikelen kon laten zien. Uit de energiegegevens over de periode van eind januari 2008 tot begin april 2008 blijkt bovendien dat in deze periode in het geheel geen sprake was van waterverbruik en nauwelijks van energieverbruik. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het kort nadien wezenlijk anders zou zijn. De door appellant genoemde energie- en waterverbruikcijfers van juli 2008 dateren van na de afwijzende besluiten van 14 april 2008 en 19 mei 2008. Overigens laten deze cijfers zien dat er van april 2008 tot begin juli 2008 wel enig waterverbruik, maar in het geheel geen elektriciteitsverbruik is geweest.
4.2. Uit het vorenstaande volgt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde hier van belang woonde op het door hem opgegeven adres. Gelet hierop heeft het College zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat niet kan worden beoordeeld of appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert en om die reden de aanvragen van appellant afgewezen.
4.3. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
De Centrale Raad van Beroep;
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2011.