ECLI:NL:CRVB:2011:BU9247

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-1599 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante, die sinds maart 1997 een WAO-uitkering ontving wegens een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, kreeg deze uitkering per 2 mei 2007 beëindigd omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Na een nieuwe ziekmelding per 1 februari 2008 wees het UWV een WAO-uitkering af op grond van onvoldoende arbeidsongeschiktheid. Dit besluit werd ook in bezwaar en beroep door de rechtbank bevestigd.

In hoger beroep betoogde appellante dat haar beperkingen aan hoofd, nek en schouders waren onderschat en dat er sprake was van toegenomen psychische beperkingen. Zij overhandigde medische informatie van haar neuroloog en huisarts en verzocht om inschakeling van een onafhankelijke neuroloog. Tevens stelde zij dat de voorgehouden functies niet geschikt waren omdat deze leken op haar oude werk.

De Raad stelde vast dat de nieuwe medische informatie niet relevant was voor de datum in geschil en dat de diagnose hyperventilatie niet tot twijfel aan de eerdere medische beoordeling leidde. De Raad vond de medische beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts juist en zag geen reden voor een onafhankelijke deskundige. Ook oordeelde de Raad dat de voorgehouden functies niet vergelijkbaar waren met haar oude functie en geschikt waren voor appellante.

Gelet op deze overwegingen werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WAO-uitkering bevestigd.

Uitspraak

11/1599 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 28 januari 2011, 08/4366 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 december 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. K. van Mierlo, advocaat te Oss, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante genoot vanaf maart 1997 een WAO-uitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, welke uitkering is beëindigd per 2 mei 2007 in verband met een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Naar aanleiding van haar nieuwe ziekmelding per 1 februari 2008 heeft het Uwv appellante bij besluit van 23 juni 2008 medegedeeld dat zij geen recht op een WAO-uitkering heeft omdat weliswaar sprake is van toegenomen beperkingen maar de mate van arbeidsongeschiktheid in aansluiting op de verkorte wachttijd van weken, per 29 februari 2008, minder is dan 15%. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 13 november 2008 ongegrond verklaard.
1.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep tegen het besluit van 13 november 2008 ongegrond verklaard. Zij is van oordeel dat de medische beperkingen van appellante niet zijn onderschat, nu de verzekeringsarts op basis van de informatie van de behandelende neuroloog P.R. Schiphof meer beperkingen heeft aangenomen ten aanzien van nekbelastende activiteiten en ook de reeds bij de WAO-beoordeling in 2007 aangenomen beperkingen aan beide handen wederom heeft vastgesteld. Ten aanzien van de depressieve klachten is de rechtbank van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts terecht heeft opgemerkt dat het feit dat iemand depressieve klachten heeft nog niet maakt dat sprake is van psychopathologie. Nu door de verzekeringsarts bij zijn onderzoek geen psychopathologie is vastgesteld en er geen medische informatie is ingediend waaruit blijkt van psychopathologie op de datum in geding, zijn er op dit vlak terecht geen beperkingen aangenomen. De brief van de huisarts S.J. van Dorst van 8 januari 2009 ziet niet op de datum in geding en doet reeds daarom niet af aan de juistheid van de medische beoordeling. Voorts is de rechtbank van oordeel dat door de (bezwaar)arbeidsdeskundige afdoende is toegelicht dat appellante in staat moet worden geacht om de voorgehouden functies te verrichten.
2. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de toename van de beperkingen aan haar hoofd, nek en schouders is onderschat en verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar de bijgevoegde informatie van haar huisarts C.M. Wolkotte van 5 juli 2011 en van neuroloog J.J.B. Klück van 5 augustus 2011. Nu deze informatie niet strookt met de medische beoordeling door de (bezwaar)verzekeringsarts verzoekt zij de Raad om een deskundige neuroloog in te schakelen. Voorts voert zij aan dat wel degelijk sprake is van toegenomen psychische beperkingen en verwijst daartoe naar de in eerste aanleg ingediende brief van huisarts Van Dorst van 8 januari 2009. Ten slotte wijst zij erop dat de voorgehouden functies veel gelijkenis vertonen met haar oude werk van produktiemedewerker in de vleesverwerking en daarom niet geschikt zijn.
3.1. De Raad ziet, evenmin als de rechtbank, grond voor twijfel aan de medische beoordeling door de (bezwaar)verzekeringsarts en stelt zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank terzake. De in hoger beroep ingediende informatie van neuroloog Klück ziet niet op de datum in geding en lijkt bovendien te berusten op een (vermoedelijke) diagnose van hyperventilatie (HV). De Raad is van oordeel dat de informatie van neuroloog Schiphof van 9 april 2008 en 8 mei 2008, van anesthesioloog G.P.G. Filippini-de Moor van 28 augustus 2008 noch de informatie van neuroloog Klück van 5 augustus 2011 aanleiding geeft voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door de (bezwaar)verzekeringsarts. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om een onafhankelijke neuroloog als deskundige in te schakelen. In de in eerste aanleg ingediende brief van huisarts Van Dorst ziet de Raad, evenmin als de rechtbank en onder dezelfde overweging, grond voor twijfel aan de medische beoordeling.
3.2. Ten aanzien van de voorgehouden functies van textielproduktenmaker (SBC 111160), magazijnmedewerker (SBC 111220) en elektromonteur (SBC 267040) is de Raad van oordeel dat door de (bezwaar)arbeidsdeskundige bij rapportages van 31 oktober 2008, 13 november 2008 en 29 januari 2009 afdoende is toegelicht dat deze functies geschikt zijn voor appellante. Deze functies zijn naar het oordeel van de Raad niet vergelijkbaar met haar oude functie van medewerker in de vleeswerking. Gelet op de rapportage van de arbeidsdeskundige van 24 augustus 2006 bij een eerdere beoordeling in het kader van de WAO betrof haar oude functie het afsnijden/portioneren en verzendklaar maken van vlees waarbij tillen/dragen van kratten van meer dan 10 kg voorkwam. Het was overwegend staand werk in een hoog tempo. In dit werk wordt derhalve haar belastbaarheid op de punten deadlines, staan en tillen overschreden, welke overschrijdingen bij de voorgehouden functies niet voorkomen.
3.3. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet.
3.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen in tegenwoordigheid van M.D.F. Smit-de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2011.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) M.D.F. Smit-de Moor.
EK