ECLI:NL:CRVB:2011:BU9251
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van aanvraag aanvullende studiefinanciering en toepassing hardheidsclausule
Appellant had per 1 oktober 2008 geen aanvullende beurs aangevraagd en deed dit pas opnieuw op 24 april 2010. De Minister kende de aanvullende beurs toe met ingang van 1 mei 2010, conform artikel 3.21, tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000, dat studiefinanciering niet met terugwerkende kracht toekent.
Appellant voerde aan dat hij eerder een aanvullende beurs had aangevraagd als hij eerder op de hoogte was geweest van de inkomensdaling van zijn vader, maar dit leidde niet tot toepassing van de hardheidsclausule door de Minister. De rechtbank had het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het primaire besluit van 28 mei 2010 eerst via bezwaar moest worden aangevochten.
De Raad bevestigde deze niet-ontvankelijkheid en oordeelde dat het beroep tegen het besluit van 14 maart 2011, waarin het bezwaar ongegrond werd verklaard, eveneens ongegrond is. Ook werd geoordeeld dat de rechtbank het beroepschrift tijdig had doorgezonden. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 28 mei 2010 is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit van 14 maart 2011 wordt ongegrond verklaard.