ECLI:NL:CRVB:2011:BU9912
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Appellante heeft in oktober 2007 een aanvraag ingediend voor een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Deze aanvraag werd afgewezen omdat zij geen vervolging had ondergaan en haar oorlogsomstandigheden niet uitzonderlijk genoeg waren om gelijkgesteld te worden met vervolgden. Na bezwaar werd dit besluit gehandhaafd. In juni 2009 verzocht appellante opnieuw om toekenning van een uitkering en overhandigde zij verklaringen ter bevestiging van haar oorlogservaringen. Dit verzoek werd eveneens afgewezen en na bezwaar gehandhaafd.
Appellante voerde in beroep aan dat zij vanwege haar Nederlandse afkomst vervolging had ondergaan tijdens de Japanse bezetting en een moeilijk leven had gehad. De Raad oordeelde dat het verzoek om herziening terecht als zodanig werd aangemerkt en dat verweerder een ruime beleidsvrijheid heeft bij het herzieningsbesluit. Er waren geen nieuwe feiten of gegevens die aanleiding gaven tot herziening van de eerdere besluiten. De overgelegde verklaringen boden geen nieuwe inzichten en herhaalden grotendeels eerdere stellingen.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit standhoudt en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd geen vergoeding van proceskosten toegekend. De uitspraak werd gedaan door A. Beuker-Tilstra, in aanwezigheid van griffier E. Heemsbergen, op 22 december 2011.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een periodieke uitkering op grond van de Wuv is ongegrond verklaard.