ECLI:NL:CRVB:2011:BU9914
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op gelijkstelling als vervolgde en periodieke uitkering op grond van de Wuv
Appellante heeft in 1991 een aanvraag ingediend om te worden gelijkgesteld met de vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) en zodoende in aanmerking te komen voor een periodieke uitkering. Deze aanvraag werd destijds afgewezen omdat geen causaal verband kon worden vastgesteld tussen haar klachten en de vervolging van haar ouder.
In 2009 verzocht appellante om herziening van dit besluit, stellende dat het dossier van haar moeder niet was geraadpleegd en dat er ten onrechte geen causaal verband was aangenomen. Verweerder wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond.
In het beroep stelde appellante dat verweerder het dossier van haar moeder had moeten raadplegen en dat zij niet meewerkte aan medisch onderzoek vanwege ziekte. Verweerder stelde dat appellante ondanks meerdere verzoeken en persoonlijke contacten niet heeft meegewerkt aan het noodzakelijke medisch onderzoek om haar psychische klachten vast te stellen.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek essentieel was om het verband tussen de vervolgingsgevolgen en de klachten van appellante te kunnen beoordelen. Van een medische verhindering was geen bewijs geleverd. Daarom was er geen sprake van een aan verweerder verwijtbare fout en werd het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende medewerking aan medisch onderzoek.