ECLI:NL:CRVB:2011:BU9916
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van de Wubo
Appellante, geboren in 1946 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer volgens de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo) en een bijbehorende uitkering. Verweerder wees de aanvraag af omdat onvoldoende was aangetoond dat appellante direct door oorlogsgeweld was getroffen.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de Wubo alleen betrekking heeft op gebeurtenissen tussen 3 augustus 1946, de geboortedatum van appellante, en 27 december 1949, de datum van soevereiniteitsoverdracht. Uit de dossiers van familieleden en de eigen verklaring van appellante bleek geen directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld binnen deze periode.
Hoewel appellante na de oorlogsjaren moeilijke omstandigheden heeft ervaren, mogelijk door de internering van haar vader, biedt de Wubo geen ruimte om dergelijke zogenaamde tweede generatie problematiek als oorlogsgeweld te erkennen. Ook de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 sluit sinds 1994 tweede generatie slachtoffers uit.
Daarom verklaarde de Raad het beroep ongegrond en wees de aanvraag af. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en haar aanvraag om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wordt afgewezen.