ECLI:NL:CRVB:2011:BU9917
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag toeslag op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 wegens ontbreken blijvende invaliditeit
Appellante, geboren in 1938 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft een aanvraag ingediend om op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo) in aanmerking te komen voor een toeslag vanwege psychische klachten als gevolg van oorlogsgeweld. Na een eerdere afwijzing in 2009 en een ongegrond verklaard beroep, heeft zij in juni 2010 een hernieuwde aanvraag gedaan wegens vermeende verergering van haar psychische klachten.
Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat uit de medische gegevens en adviezen van geneeskundige adviseurs bleek dat er geen sprake was van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo. De Raad heeft het bestreden besluit als deugdelijk voorbereid en gemotiveerd beoordeeld, mede omdat de huisarts geen toename van beperkingen meldde en het korte tijdsverloop tussen de aanvragen een nieuw medisch onderzoek niet noodzakelijk maakte.
De Raad oordeelt dat de individuele beoordeling van de medische gevolgen van het oorlogsgeweld leidend is en dat het feit dat broers en zusters van appellante wel een uitkering ontvangen, geen ander oordeel rechtvaardigt. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er wordt geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo.