ECLI:NL:CRVB:2011:BV0013
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding binnen twee jaar voorafgaand aan aanvraag
Appellant diende een aanvraag om bijstand in, maar het College wees deze af op grond van het onweerlegbaar rechtsvermoeden dat hij een gezamenlijke huishouding voerde met B, aangezien zij in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag als gehuwden waren aangemerkt en samenwoonden.
Appellant voerde aan dat het huisbezoek en de periode van samenwoning niet tot een gezamenlijke huishouding leidden en dat zijn voormalige gemachtigde ten onrechte geen bezwaar had gemaakt tegen het eerdere besluit. De Raad oordeelde dat het besluit waarbij appellant als gehuwde werd aangemerkt rechtens onaantastbaar was en dat het College niet verplicht was nader onderzoek te doen naar de woon- en leefsituatie.
De Raad stelde vast dat appellant binnen de relevante periode zijn hoofdverblijf deelde met B en dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB van toepassing was. De toekenning van bijstand aan appellant in 2011 betrof een latere aanvraag na het verstrijken van de termijn van twee jaar en was daarom niet relevant voor deze beoordeling.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep van appellant af, waarmee de afwijzing van de bijstandsaanvraag definitief werd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding binnen twee jaar voorafgaand aan de aanvraag.