ECLI:NL:CRVB:2011:BV0092
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- E.J. Govaers
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens ontbreken gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1996 bijstand als alleenstaande. Na een melding dat zij samenwoonde met haar vriend zonder dit te melden, startte het College een onderzoek. Dit leidde tot besluiten tot blokkering, intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 1 juli 2006 tot 1 april 2008.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellante ging in hoger beroep. De Raad beperkte zijn beoordeling tot de intrekking en terugvordering over genoemde periode. Volgens artikel 3 lid 3 WWB Pro is sprake van gezamenlijke huishouding als twee personen in dezelfde woning wonen en zorg voor elkaar dragen.
De Raad oordeelde dat het College onvoldoende feiten had aangetoond van wederzijdse zorg en financiële verstrengeling. Appellante en haar vriend deden wel gezamenlijke boodschappen, maar betaalden apart. De zorg was eenzijdig van vriend naar appellante, niet wederzijds. Hierdoor was geen sprake van gezamenlijke huishouding.
De intrekking en terugvordering waren daarom niet deugdelijk gemotiveerd. De Raad vernietigde de besluiten van 3 februari en 2 april 2009 en herroept de besluiten van 19 en 29 mei 2008. Het College werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering worden vernietigd wegens het ontbreken van een gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg.