ECLI:NL:CRVB:2011:BV0261

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-1529 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Verordening Maatregelen 2004Art. 12 Verordening Maatregelen 2004Wet werk en bijstand
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging bijstandsuitkering wegens niet-naleving re-integratieverplichtingen

Appellant was begin 2009 gedurende zes weken werkzaam op een werkervaringsplaats bij een schoonmaakbedrijf. Eind maart 2009 ontstond een conflict met een collega, waarna appellant niet meer in de groep kon worden gehandhaafd. Tijdens een gesprek op 16 april 2009 met de klantmanager en werkleider bleek dat appellant door zijn houding en gedrag niet meer kon terugkeren in de werkervaringsplaats.

Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal besloot daarom op 20 april 2009 de bijstand van appellant met ingang van 1 mei 2009 voor vier maanden met 100% te verlagen. Het bezwaar tegen dit besluit werd op 1 juni 2010 ongegrond verklaard, mede op basis van een psychodiagnostisch onderzoek waaruit bleek dat appellant geen psychische stoornis had die verwijtbaarheid uitsloot.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het bezwaarbesluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij lijdt aan schizofrenie en een obsessieve-compulsieve stoornis, waardoor zijn gedragingen hem niet konden worden verweten. De Raad stelde echter vast dat het rapport van 20 april 2009 en de verklaringen van betrokkenen consistent zijn en dat er geen grond is om het College te verwijten af te zien van de maatregel. Het hoger beroep werd verworpen en de verlaging van de bijstand bevestigd.

Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 100% voor vier maanden wegens niet-naleving van re-integratieverplichtingen wordt bevestigd.

Uitspraak

11/1529 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 januari 2011, 10/2250 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal (hierna: College)
Datum uitspraak: 27 december 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. drs. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Bij schrijven van 4 oktober 2011 heeft mr. M. el Ahmadi, advocaat te Utrecht, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2011. Namens appellant is verschenen mr. El Ahmadi. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R.W. Bekker, werkzaam bij de gemeente Veenendaal.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar zijn uitspraak van heden in de zaak 11/1527 WWB en naar hetgeen hieronder is vermeld.
1.1. Appellant is begin 2009 gedurende zes weken op een werkervaringsplaats bij het bedrijf [bedrijf] werkzaam geweest in de schoonmaak. Blijkens een op 20 april 2009 opgemaakt rapport heeft appellant eind maart 2009 op het werk een aanvaring gehad met een collega waarna hij volgens de werkleiding niet meer in de groep kon worden gehandhaafd. Wel zou worden bezien of appellant in een andere groep kon worden geplaatst. Naar aanleiding van onder meer deze gebeurtenis heeft de klantmanager van de Afdeling Werk en Inkomen op 16 april 2009 een gesprek met appellant gehad waar ook de werkleider van [bedrijf] bij aanwezig was. De houding en het gedrag van appellant tijdens dit gesprek hebben er volgens het rapport toe geleid dat appellant niet meer bij [bedrijf] kan terugkeren.
1.2. Bij besluit van 20 april 2009 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 mei 2009 voor de duur van vier maanden verlaagd met 100%. Daarbij is overwogen dat het re-integratietraject door toedoen van appellant geen doorgang heeft gevonden dan wel voortijdig is beëindigd en dat appellant zich op 16 april 2009 ernstig heeft misdragen tijdens het gesprek met zijn klantmanager en de werkleider van [bedrijf].
1.3. Bij besluit van 1 juni 2010 heeft het College het tegen het besluit van 20 april 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is verwezen naar het advies van de Kamer sociale zaken voor de behandeling van de bezwaarschriften van de gemeente Veenendaal waarin onder andere is vermeld dat uit het door de psycholoog J.J. Koers verrichte psychodiagnostisch onderzoek gebleken is dat er geen sprake is van een verminderde verwijtbaarheid bij appellant. Bij appellant kon geen psychische stoornis worden geduid; er was slechts sprake van een lichte beperking ten aanzien van de psychische belastbaarheid.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 1 juni 2010 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen de aangevallen uitspraak. Hij heeft daartoe - kort gezegd - aangevoerd dat uit het schrijven van zijn behandelend psycholoog A.N. Chakigar volgt dat zijn gedragingen hem niet kunnen worden verweten omdat hij lijdende is aan schizofrenie en een obsessieve-compulsieve stoornis. Appellant acht het niet juist dat de rechtbank doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het rapport van psycholoog Koers.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Voor de in dit geding van belang zijnde bepalingen van de Wet werk en bijstand (WWB) en de Verordening Maatregelen 2004 van de gemeente Veenendaal (hierna: de Verordening) verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
4.2. Uit het rapport van 20 april 2009 volgt naar het oordeel van de Raad dat appellant de verplichting tot het gebruik maken van geboden re-integratie-instrumenten niet is nagekomen, omdat zijn houding en gedrag op 16 april 2009 ertoe hebben geleid dat hij niet meer kon terugkeren in een werkervaringsplaats bij [bedrijf]. De Raad heeft geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het rapport van 20 april 2009 op dit punt, aangezien de lezing van de klantmanager van appellant en de werkleider bij [bedrijf] eensluidend zijn en bevestigd worden door de dienstrapportage van de beveiliging van het kantoor in Veenendaal. Aldus is op het gedrag van appellant artikel 11, vierde lid, onder c, van de Verordening van toepassing, waarbij ingevolge artikel 12, aanhef en onder d, van de Verordening een maatregel van honderd procent van de bijstand gedurende een maand wordt opgelegd. Appellant heeft verder niet bestreden dat sprake is van recidive als in de Verordening bedoeld.
4.3. Onder verwijzing naar hetgeen de Raad in zijn uitspraak in de zaak 11/1527 WWB in rechtsoverweging 4.4 heeft overwogen stelt de Raad vast dat er onvoldoende grondslag is voor het standpunt van appellant dat het College van het opleggen van een maatregel had dienen af te zien wegens het ontbreken van verwijtbaarheid.
4.4. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en J.N.A. Bootsma en J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2011.
(get.) J.F. Bandringa.
(get.) J. van Dam.
IJ