ECLI:NL:CRVB:2011:BV0262
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering AOW-uitkering wegens onvoldoende bewijs verzekeringsperiode in Nederland
Appellant, geboren in 1943, verzocht in 2007 om een AOW-uitkering, maar de Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde deze omdat niet was gebleken dat appellant verzekerd was geweest onder de AOW. Appellant stelde dat hij in 1970 en 1971 in Nederland had gewerkt en overhandigde enkele documenten, waaronder bewijs van betalingen aan het Algemeen Ziekenfonds en een ledenkaart, maar kon geen sluitend bewijs leveren van zijn verzekeringsstatus.
De Svb voerde uitgebreid onderzoek uit, waaronder navraag bij het schakelregister, bevolkingsregister, pensioenfondsen en de Kamer van Koophandel, maar vond geen bevestiging van de verzekeringsstatus of het bestaan van de werkgever. Appellant overhandigde een arbeidsvergunning uit 1975 voor een andere persoon, wat de Raad deed twijfelen aan de authenticiteit van de stukken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat de overgelegde verklaringen en documenten onvoldoende objectief verifieerbaar waren en dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij in Nederland verzekerd was voor de AOW. De Raad zag geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro en bevestigde het bestreden besluit.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de AOW-uitkering wegens onvoldoende bewijs van verzekeringsperiode in Nederland.