ECLI:NL:CRVB:2012:BV0613
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- T. Hoogenboom
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Intrekking hoger beroep UWV en proceskostenvergoeding aan betrokkene
Betrokkene had bezwaar gemaakt tegen een besluit van het UWV over zijn WAO-uitkering en was in hoger beroep gegaan bij de Centrale Raad van Beroep. Het UWV trok het hoger beroep in, waarna betrokkene proceskostenvergoeding, wettelijke rente en immateriële schadevergoeding vorderde.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten die betrokkene in hoger beroep redelijkerwijs had moeten maken, begroot op €322,-. Vergoeding van wettelijke rente werd afgewezen omdat de Beroepswet dit niet toestaat na intrekking hoger beroep. Ook werd het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens psychisch leed afgewezen, omdat betrokkene niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een aantasting van zijn persoon in de zin van artikel 6:106 BW Pro.
Vanwege de lange duur van de procedure – ruim vijf jaar vanaf bezwaar tot uitspraak hoger beroep – werd het vermoeden van schending van de redelijke termijn aangenomen. De Raad besloot het onderzoek te heropenen en de Staat der Nederlanden als partij aan te merken voor een nadere uitspraak over een mogelijke schadevergoeding wegens deze termijnoverschrijding.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €322,-; verzoeken tot rentevergoeding en immateriële schadevergoeding worden afgewezen; onderzoek wordt heropend wegens vermoeden schending redelijke termijn.