ECLI:NL:CRVB:2012:BV0743
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens onvoldoende oorlogsgeweld
Appellante, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, diende in augustus 2009 een aanvraag in voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van haar oorlogservaringen en de psychische en fysieke klachten die zij ervaart.
De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af en handhaafde deze afwijzing na bezwaar. Appellante stelde beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelt dat appellante onvoldoende heeft aangetoond dat zij zelf is getroffen door oorlogsgeweld zoals bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
De Raad stelt vast dat de oorlogservaringen van de moeder van appellante, waaronder seksueel misbruik door Japanners, niet kunnen worden toegerekend aan appellante zelf. Ook de door appellante genoemde inbraak door vrijheidsstrijders kwalificeert niet als oorlogsgeweld. Het feit dat de trauma’s van haar ouders gevolgen hadden voor haar opvoeding leidt niet tot erkenning onder de Wubo, die specifieke criteria hanteert. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van oorlogsgeweld.