ECLI:NL:CRVB:2012:BV0743

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-433 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WuboWet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens onvoldoende oorlogsgeweld

Appellante, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, diende in augustus 2009 een aanvraag in voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van haar oorlogservaringen en de psychische en fysieke klachten die zij ervaart.

De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af en handhaafde deze afwijzing na bezwaar. Appellante stelde beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelt dat appellante onvoldoende heeft aangetoond dat zij zelf is getroffen door oorlogsgeweld zoals bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

De Raad stelt vast dat de oorlogservaringen van de moeder van appellante, waaronder seksueel misbruik door Japanners, niet kunnen worden toegerekend aan appellante zelf. Ook de door appellante genoemde inbraak door vrijheidsstrijders kwalificeert niet als oorlogsgeweld. Het feit dat de trauma’s van haar ouders gevolgen hadden voor haar opvoeding leidt niet tot erkenning onder de Wubo, die specifieke criteria hanteert. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van oorlogsgeweld.

Uitspraak

11/433 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Pensioen- en Uitkeringsraad, (hierna: verweerder)
Datum uitspraak: 12 januari 2012
I. PROCESVERLOOP
In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), is in deze zaak de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet in de plaats getreden van de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de -voormalige- Raadskamer WUBO van de PUR.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 13 december 2010, kenmerk BZ01203807 (verder: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2011, waar appellante is verschenen en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in augustus 2009 een aanvraag ingediend bij verweerder om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo op grond van haar oorlogservaringen. Appellante heeft psychische en fysieke klachten.
1.2. Op deze aanvraag is afwijzend beslist, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit.
2. De Raad overweegt als volgt.
2.1. De bestreden afwijzing is gebaseerd op het standpunt dat in onvoldoende mate is aangetoond dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in de Wubo.
2.2. Blijkens artikel 2 van Pro de Wubo wordt, voor zover hier van belang, onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan degene die als burger tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen tengevolge van met krijgsverrichtingen direct verbonden handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht, ofwel lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalig Nederlands-Indië die naar aard en gevolgen vergelijkbaar zijn met de hiervoor bedoelde omstandigheden.
2.3. De Raad kan verweerder in het standpunt volgen dat hiervan in het geval van appellante geen sprake is geweest. Op grond van de oorlogservaringen van de moeder van appellante (seksueel misbruik door Japanners) kan niet worden aanvaard dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. De door appellante genoemde inbraak door vrijheidsstrijders betrof, gezien de omschrijving van die gebeurtenis door appellante zelf, een gewone inbraak en dus evenmin oorlogsgeweld in de zin van de Wubo.
2.4. Dat de tijdens en na de oorlog door de ouders van appellante opgelopen trauma’s ook gevolgen hebben gehad voor de opvoeding van appellante en dat zij daaronder heeft geleden kan niet tot een andere conclusie leiden. Een erkenning als oorlogsgetroffene in de zin van de Wubo is alleen mogelijk op grond van de specifieke criteria in die wet. De Raad merkt hierbij nog op dat de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 al sinds 1994 gesloten is voor zogenoemde tweede generatie slachtoffers.
3. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard.
4. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2012.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
I. Mos.
De griffier is buiten staat te tekenen.
NK