ECLI:NL:CRVB:2012:BV0745
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens ontbreken concrete bezettingsmaatregel
Appellante, geboren in 1938 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in oktober 2009 een hernieuwde aanvraag ingediend om erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer onder de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Deze aanvraag werd door de Pensioen- en Uitkeringsraad afgewezen omdat niet was aangetoond dat zij door oorlogsgeweld was getroffen.
De Raad overweegt dat onder de Wubo alleen personen vallen die lichamelijk of psychisch letsel hebben opgelopen door directe handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht. Appellante stelde dat zij en haar zusters regelmatig moesten schuilen uit angst voor de Japanners, maar uit de stukken blijkt dat dit schuilen niet het gevolg was van een concrete maatregel van de bezetter. Bovendien heeft appellante zich niet volledig aan het openbare leven onttrokken en hielp zij mee met voedselrantsoenen.
Hoewel twee zusters van appellante wel erkend zijn als burger-oorlogsslachtoffer, gebeurde dit op basis van andere gebeurtenissen die appellante niet heeft meegemaakt. De Raad concludeert dat de omstandigheden van appellante niet voldoen aan de criteria voor erkenning onder de Wubo en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de aanvraag tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wordt afgewezen.