ECLI:NL:CRVB:2012:BV0968
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en geen schending huisrecht
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar het Dagelijks Bestuur trok deze uitkering met ingang van 1 december 2008 in omdat zij samenwoonde met haar partner en zij een gezamenlijke huishouding voerden. Uit onderzoek bleek dat appellante en haar partner hun hoofdverblijf hadden op hetzelfde adres, wat werd bevestigd door haar eigen verklaring en getuigenverklaringen van buurtbewoners.
Appellante voerde aan dat het huisbezoek een schending van haar huisrecht betekende, maar de Raad stelde vast dat het gesprek aan de voordeur plaatsvond en er geen binnentreden was, waardoor geen sprake was van een inbreuk op het huisrecht. Tevens stelde appellante dat dringende redenen bestonden om de intrekking ongedaan te maken vanwege haar WSNP-traject, maar de Raad oordeelde dat dit geen reden was om van intrekking af te zien.
De Raad concludeerde dat appellante ten tijde van de intrekking niet als zelfstandig bijstandsgerechtigde kon worden beschouwd en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wordt bevestigd wegens gezamenlijke huishouding en geen schending van het huisrecht.