ECLI:NL:CRVB:2012:BV1318
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K. Zeilemaker
- B.J. van de Griend
- A.A.M. Mollee
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand als alleenstaande, maar het College vermoedde dat zij vanaf 1 juni 1999 een gezamenlijke huishouding voerde met appellant. Na onderzoek, waaronder een sociaal rechercheursrapport en getuigenverklaringen, trok het College de bijstand in en vorderde de ten onrechte ontvangen bedragen terug.
Appellanten voerden aan dat er onvoldoende feitelijke grondslag was voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding en dat appellante vanwege haar verstandelijke beperking niet gehouden kon worden aan haar verklaring. Tevens werd verzocht om (gedeeltelijke) kwijtschelding van de terugvordering wegens financiële onmogelijkheid.
De Raad oordeelde dat er voldoende feiten en omstandigheden zijn om van een gezamenlijke huishouding te spreken, waaronder gezamenlijk hoofdverblijf, wederzijdse zorg en financiële verstrengeling. De verklaring van appellante tegenover de sociaal rechercheur werd als betrouwbaar beschouwd ondanks haar beperking. Het College was bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen, en er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.
De Raad bevestigde de uitspraken van de rechtbank en wees de beroepen van appellanten af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 19 januari 2012.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenplicht.