ECLI:NL:CRVB:2012:BV1352

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-223 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenenWet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WUV-voorziening voor rug- en nekklachten wegens ontbreken causaal verband met vervolging

Appellant, erkend als vervolgingsslachtoffer vanwege internering tijdens de Japanse bezetting, vordert een WUV-voorziening voor rug- en nekklachten die hij toeschrijft aan het tillen van zware zakken in het kamp.

Verweerder baseert de afwijzing op medisch advies dat de klachten degeneratief en constitutioneel zijn en geen causaal verband houden met de vervolging. Appellant levert geen tegenrapporten of objectieve medische gegevens ter ondersteuning van zijn stelling.

De Raad acht het bestreden besluit deugdelijk en voldoende gemotiveerd, wijst het beroep af en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van een WUV-voorziening voor rug- en nekklachten wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

11/223 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant], wonende te [woonplaats], Verenigde Staten (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: verweerder)
Datum uitspraak: 19 januari 2012
I. PROCESVERLOOP
Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 15 november 2010, kenmerk BZ01159923 (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940 1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2011. Appellant is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant, geboren in Nederland in 1924, heeft in april 2009 een aanvraag ingediend om te worden erkend als vervolgde en om als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor toekenningen op grond van de Wuv.
1.2. Bij besluit van 23 december 2009 heeft verweerder appellant als vervolgde erkend vanwege zijn verblijf in een interneringskamp (het 15e Bataljon) tijdens de Japanse bezetting. Daarbij is aanvaard dat zijn psychische klachten en huidklachten in causaal verband staan met de vervolging. Dit verband is niet aanvaard voor de gebitsklachten, rug en nekklachten, hart /vaatklachten en gehoorklachten. Aan appellant zijn een periodieke uitkering en een aantal voorzieningen toegekend. Geen voorziening is toegekend voor gebitskosten, voor een tuinman en voor andere niet-gedekte medische kosten dan die welke in verband staan met de psychische klachten en huidklachten.
1.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder appellant alsnog een vergoeding toegekend voor de kosten van een gebitsrehabilitatie met ingang van 1 april 2009. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.
2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.
2.1. Aan de orde is alleen nog of de rug en nekklachten van appellant in verband staan met de vervolging. Appellant wijt deze klachten aan het sjouwen, laden en lossen van zware zakken met meel en rijst in het kamp. De zakken wogen 30 tot 50 kilogram en moesten alleen op de schouders worden gedragen. Dit duurde ongeveer anderhalf jaar. In die tijd kreeg appellant al last van zijn nek en rug. Ook de ondervoeding speelde volgens hem een rol.
2.2. Verweerder heeft zijn afwijzende beslissing gebaseerd op een medisch advies van zijn geneeskundig adviseur, de arts A.J. Maas. Deze heeft bij zijn advisering gebruik gemaakt van het rapport van een op verzoek van verweerder uitgevoerd medisch onderzoek door de psychiater M.H. Bauman. Maas heeft zich op het standpunt gesteld dat de rug en nekklachten niet kunnen worden toegeschreven aan het vele tillen ten tijde van de internering. Volgens Maas is sprake van een constitutioneel bepaalde aandoening, waarvoor causaal verband met de vervolging ontbreekt.
2.3. Het bezwaar van appellant is door verweerder om advies voorgelegd aan een andere geneeskundig adviseur, de arts A.M. Ohlenschlager. Deze heeft - voor zover hier van toepassing - het advies van Maas onderschreven. Zij heeft daarbij aangegeven dat appellant sinds 1996 twee keer is geopereerd aan zijn nek en in 2009 ook aan zijn rug. Gezien de beschreven klachten was sprake van nek en rughernia's. Dit wordt bevestigd door informatie van de behandelende sector. Er blijkt tevens sprake te zijn geweest van een stenose van het wervelkanaal laag in de rug. De rugklachten waren in 2009 sinds drie maanden aanwezig voordat appellant een neurochirurg bezocht. De nek en rugklachten zijn degeneratief en/of constitutioneel van aard. Enig causaal verband met de vervolging is niet aanwezig, aldus Ohlenschlager.
2.4. De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze advisering deugdelijk voorbereid en voldoende gemotiveerd. In de beschikbare medische gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt dat verweerder, in het voetspoor van zijn geneeskundig adviseurs, heeft ingenomen. De operaties aan nek en rug hebben pas op gevorderde leeftijd plaatsgevonden. Mede gezien de aard van de klachten, ligt voor de hand om deze als leeftijdsgebonden en degeneratief aan te merken. Appellant heeft wel gesteld dat de klachten reeds in het kamp zijn begonnen, maar er zijn geen objectieve medische gegevens die dit bevestigen en die aanwijzingen geven over de aard en de ernst van deze eerdere klachten. Over de periode na de oorlog, tot omstreeks 1996, zijn zulke gegevens er evenmin. Appellant heeft ook overigens geen medische tegenrapporten overgelegd die zijn standpunt ondersteunen dat de zware omstandigheden in het kamp tot zijn nek en rugklachten hebben geleid.
2.5. Het beroep is dus ongegrond.
3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2012.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) J.M. Tason Avila.
HD