ECLI:NL:CRVB:2012:BV1639
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WW-uitkering na beëindiging dienstverband en verhuizing naar Duitsland
Appellant was tot 1 april 2007 in dienst bij een werkgever en ontving een schadevergoeding bij ontbinding van het dienstverband. Na beëindiging van het dienstverband vroeg appellant een WW-uitkering aan, die werd afgewezen omdat de schadevergoeding werd gezien als loon over de fictieve opzegtermijn en appellant geen werkzaamheden meer verrichtte.
Appellant verhuisde in juni 2007 naar Duitsland en vroeg ook daar een werkloosheidsuitkering aan, die werd afgewezen wegens het ontbreken van een verzekerd tijdvak. Een tweede aanvraag WW-uitkering in Nederland werd eveneens afgewezen omdat appellant sinds de verhuizing niet meer in Nederland werkte.
De Raad oordeelt dat artikel 71 van Pro Verordening 1408/71 niet van toepassing is omdat appellant geen feitelijke werkzaamheden verrichtte en geen dienstbetrekking had gedurende de fictieve opzegtermijn. Ook was er geen schriftelijke toezegging van het UWV dat de verhuizing geen invloed zou hebben op het recht op WW. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag van appellant voor een WW-uitkering wordt afgewezen omdat geen sprake is van werkzaamheden of dienstbetrekking tijdens de fictieve opzegtermijn.