Art. 11 WWBArt. 17 lid 1 WWBArt. 34 WWBArt. 54 lid 3 WWB
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenplicht en onduidelijke vermogenspositie
Appellant ontving vanaf 6 maart 2007 bijstand op grond van de WWB. Het College ontdekte via een vermogenssignaal dat appellant beschikte over meerdere bankrekeningen met een aanzienlijk tegoed dat niet was opgegeven, waardoor het College de bijstand introk en terugvordering instelde.
De rechtbank vernietigde het besluit van het College, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellant voerde aan dat hij het vermogen had besteed aan woninginrichting, verloren geld en schulden. De Raad oordeelde dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden door het niet melden van rekeningen en tegoeden en dat de vermogenspositie over de gehele beoordelingsperiode relevant is, niet alleen bij toekenning.
De Raad stelde vast dat appellant tot juni 2007 over vermogen boven de vrijlatingsgrens beschikte. Over de periode daarna bleef onduidelijk of hij nog over het opgenomen saldo kon beschikken. De bijstand over die latere periode kon daarom niet worden vastgesteld. Het hoger beroep faalde, en de Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarbij het College bevoegd was de bijstand in te trekken.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd vanwege schending van de inlichtingenplicht en onduidelijkheid over het vermogen.
Uitspraak
09/6207 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 6 oktober 2009, 09/2307 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: College)
Datum uitspraak: 17 januari 2012
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Mr. M. Raaijmakers, advocaat te Hoofddorp, heeft zich als gemachtigde gesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2011. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Schenk, werkzaam bij de gemeente Haarlemmermeer.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontvangt vanaf 6 maart 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Het eigen vermogen is bij de toekenning van bijstand vastgesteld op € 2.622,65 negatief.
1.2. Naar aanleiding van een vermogenssignaal van het Inlichtingenbureau dat appellant beschikt over bankrekeningen bij de Rabobank, de Levob Bank, de Postbank en Nationale Nederlanden met daarop in totaal een tegoed van € 28.294,-- op 31 december 2006 heeft de preventiemedewerker een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte bijstand. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in de rapportage van 9 september 2008.
1.3. Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft het College bij besluit van 9 september 2008 de bijstand van appellant met ingang van 6 maart 2007 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand plus een voorschot: tot een bedrag van in totaal € 12.433,56 (over de periode van 6 maart 2007 tot en met 31 december 2007 € 9.327,27 bruto, over de periode van 1 januari 2008 tot en met 3 april 2008 plus een voorschot: € 3.106,29 netto) van appellant teruggevorderd. Het College heeft het surplus aan vermogen bij aanvang van de bijstand op 6 maart 2007, rekening houdend met een eerder vastgesteld negatief vermogen en het vrij te laten vermogen, vastgesteld op € 17.797,92.
1.4. Bij besluit van 18 maart 2009 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 september 2008 ongegrond verklaard. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen opgave te doen van de op zijn bankrekeningen staande tegoeden, waardoor niet kan worden vastgesteld of appellant met ingang van 6 maart 2007 verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepaling inzake proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 18 maart 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd op de grond dat het College het besluit had moeten baseren op artikel 11 inPro samenhang met artikel 34 vanPro de WWB en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat hij niet de beschikking had over een vermogen boven de grens van het vrij te laten vermogen. Hij heeft in december 2007 en januari 2008 een bedrag van € 10.000,-- besteed aan de inrichting van zijn huis. Daarnaast is hij in juni 2007 een bedrag van € 5.000,-- kwijtgeraakt tijdens een bezoek aan België. In juli 2007 heeft hij een bedrag van € 2.000,-- uitgegeven aan vakantie en reparatie van een geleende auto. Verder heeft appellant nog schulden en leningen tot een bedrag van € 8.553,28.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Vast staat dat de in 1.2 genoemde bankrekeningen op naam van appellant stonden, dat hij over het tegoed op deze rekeningen kon beschikken en dat het saldo op deze rekeningen op 6 maart 2007 beduidend hoger was dan de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen. Appellant heeft het College nimmer van het bestaan van deze rekeningen en van het tegoed op deze rekeningen in kennis gesteld. De Raad is dan ook van oordeel dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geschonden.
4.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad, CRvB 21 oktober 2008, LJN BG1394, rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam staat van een betrokkene de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
4.3. Appellant heeft op 17 april 2007 een bedrag van € 10.000,-- en op 9 mei 2007 een bedrag van € 7.000,-- opgenomen van zijn postbankrekening. Verder heeft hij op 15 mei 2008 verklaard dat hij het gehele saldo van de postbankrekening heeft opgenomen in verband met zijn aanstaande bruiloft, maar dat hij dat geld is verloren. Appellant heeft tijdens de hoorzitting op 23 februari 2009 verklaard dat hij het geld in juli 2007 is verloren en dat hij geen aangifte van vermissing van het geld heeft gedaan. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij het geld in juni 2007 is verloren. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat appellant in ieder geval tot juni 2007 de beschikking heeft gehad over vermogen boven de grens van het vrij te laten vermogen. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat voor de beoordeling van de intrekking van de bijstand met ingang van 6 maart 2007 niet uitsluitend het vermogen ten tijde van de toekenning van bijstand van belang is, maar dat de vermogenspositie van appellant over de gehele beoordelingsperiode, zijnde de periode van 6 maart 2007 tot en met 9 september 2008, de datum van het primaire besluit, van belang is.
4.4. Over de periode vanaf juni 2007 is naar het oordeel van de Raad onduidelijk gebleven of appellant nog over het door hem opgenomen saldo kon beschikken. De Raad acht in dat verband van belang dat appellant op 15 mei 2008 heeft verklaard dat hij het gehele saldo heeft opgenomen en is kwijtgeraakt, dat hij tijdens de hoorzitting op
23 februari 2009 heeft verklaard dat hij een bedrag van € 10.000,- is kwijtgeraakt en dat hij zich vervolgens in beroep en hoger beroep op het standpunt heeft gesteld dat een bedrag van € 5.000,-- is kwijtgeraakt. Uit de door appellant in hoger beroep overgelegde facturen ten behoeve van woninginrichting blijkt niet dat deze zijn voldaan en zeker niet dat deze door appellant zijn voldaan. Verder is niet gebleken van een reële en geconcretiseerde verplichting tot terugbetaling van de door appellant gestelde schulden. De Raad is dan ook van oordeel dat de bijstand over de periode vanaf juni 2007 tot en met 9 september 2008 niet kan worden vastgesteld.
4.5. Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, is de Raad van oordeel dat aan appellant als gevolg van de door hem geschonden inlichtingenverplichting ten onrechte bijstand is verleend over een deel van de van belang zijnde periode en dat voor het resterende deel van die periode ten gevolge van die schending het recht niet kan worden vastgesteld. Het College was dan ook bevoegd met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de aan appellant verleende bijstand met ingang van 6 maart 2007 in te trekken. De wijze waarop het College gebruik heeft gemaakt van die bevoegdheid heeft appellant niet betwist. Ook de terugvordering is niet zelfstandig betwist.
4.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2012.