ECLI:NL:CRVB:2012:BV2043

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-2258 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening WAO-uitspraak wegens ontbreken nieuwe feiten

Verzoeker heeft bij de Centrale Raad van Beroep verzocht om herziening van een eerdere uitspraak waarin zijn beroep tegen de weigering van het UWV om een WAO-uitkering toe te kennen, ongegrond werd verklaard. De Raad bevestigde eerder de uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het beroep van verzoeker ongegrond verklaarde wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Verzoeker stelde dat hij arbeidsongeschikt is en medische behandeling ondergaat en verzocht om een medisch onderzoek. Het UWV betoogde dat deze gegevens geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatten in de zin van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Raad oordeelde dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening alleen kan worden toegepast indien feiten of omstandigheden die vóór de uitspraak hebben plaatsgevonden, maar bij verzoeker niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, worden aangevoerd. Dit was niet het geval. Daarom werd het verzoek afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om herziening van de WAO-uitspraak wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

11/2258 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van Pro de Beroepswet op het verzoek om herziening van
[Verzoeker], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: verzoeker),
van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 februari 2011, 10/3026 in het geding tussen:
verzoeker
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 januari 2012
I. PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft verzocht om herziening van de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2011. Verzoeker is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Koning.
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge artikel 8:88 van Pro de Awb en artikel 21 van Pro de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Bij de uitspraak waarvan thans herziening wordt verzocht heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 april 2010 (nummer 09/1073) bevestigd.
De rechtbank verklaarde hierbij het beroep van verzoeker ongegrond. Het beroep betrof de weigering van het Uwv om hem – op zijn herhaalde aanvraag daartoe – een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen.
De Raad onderschreef in zijn uitspraak de overweging van de rechtbank dat nieuwe feiten of veranderde omstandigheden niet zijn gebleken. Daarom had het Uwv, naar het toenmalige oordeel van de Raad, in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om de aanvraag af te wijzen.
Verzoeker heeft thans aangevoerd dat hij arbeidsongeschikt (invalide) is en dat hij een medische behandeling ondergaat. Verzoeker heeft de Raad verzocht om hem medisch te laten onderzoeken.
Het Uwv heeft er in zijn verweerschrift op gewezen dat hetgeen door verzoeker is aangevoerd geen feiten of omstandigheden bevat in de zin van artikel 8:88 van Pro de Awb.
De Raad komt tot het volgende oordeel.
Het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening kan ten aanzien van verzoeker alleen worden toegepast indien aangelegenheden van feitelijke aard zijn aangevoerd, die al hadden plaatsgevonden toen de uitspraak van 23 februari 2011 werd gedaan, maar die toen bij verzoeker niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn. Dit houdt in dat het moet gaan om relevante feiten of omstandigheden, in dit geval met betrekking tot de intrekking van verzoekers WAO-uitkering in 1986, die pas op of ná 23 februari 2011 bij hem bekend zijn geworden.
Aan deze voorwaarden is in dit geval niet voldaan. Dit betekent dat reeds hierom het verzoek moet worden afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2012.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) J.R. Baas.
JL