[Appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 maart 2011, 10/1355 (hierna: aangevallen uitspraak),
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 januari 2012
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2011. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Koning.
1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
1.2. Appellant heeft, op 11 augustus 1998, een aanvraag ingediend om toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Laatstgenoemde aanvraag is door de Raad bij zijn uitspraak van 27 mei 2006 afgewezen, omdat op basis van de beschikbare gegevens niet voldoende aannemelijk was geworden dat appellant voldeed of had voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
1.3. Appellant heeft op 6 mei 2008 wederom bij het Uwv een aanvraag ingediend om toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
1.4. Het Uwv heeft de aanvraag van 6 mei 2008 aangemerkt als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat niet was gebleken van nieuwe aspecten, heeft het Uwv deze aanvraag bij besluit van 3 december 2009 afgewezen.
1.5. Het tegen het besluit van 3 december 2009 door appellant gemaakte bezwaar is bij besluit van 2 maart 2010 ongegrond verklaard onder de overweging dat appellant bij zijn aanvraag geen stukken heeft bijgevoegd die nog niet bekend waren.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het besluit van 2 maart 2010 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij het onzorgvuldig vindt dat er geen medisch onderzoek heeft plaatsgehad. Hij heeft benadrukt dat hij nog steeds ernstig ziek is en niet in staat is geweest om te werken.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Op grond van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb -kort samengevat- is de aanvrager, als al eerder een afwijzend besluit is genomen, bij zijn herhaalde aanvraag verplicht nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan de aanvraag op grond van artikel 4:6, tweede lid, afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.
4.2. In dit geval heeft de Raad zelf al eerder een afwijzende beslissing genomen. Appellant diende dus bij zijn aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
4.3. De Raad is van oordeel dat appellant bij zijn aanvraag van 6 mei 2008 geen (medische) informatie heeft toegezonden die, in vergelijking met wat al bekend was, nieuwe gegevens bevat.
4.4. Het Uwv mocht daarom de aanvraag van appellant afwijzen zonder medisch onderzoek te verrichten. Ook overigens kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid de aanvraag heeft kunnen afwijzen. De stelling van appellant dat hij nog steeds ernstig ziek is en niet kan werken, kan niet leiden tot een andere conclusie.
4.5. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De Centrale Raad van Beroep,
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2012.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.