ECLI:NL:CRVB:2012:BV2061

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-1538 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens voldoende medische grondslag en geschiktheid functies

Appellant meldde zich ziek met psychische klachten na een traumatische gebeurtenis en werd door verzekeringsartsen onderzocht. De Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) toonde beperkingen, maar geselecteerde functies bleken passend binnen deze beperkingen. Het UWV weigerde daarom een WIA-uitkering.

Na bezwaar en nader medisch onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts bleef het oordeel dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor bepaalde functies. De rechtbank schakelde een onafhankelijke deskundige in, die de beperkingen en geschiktheid bevestigde.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn psychische en lichamelijke klachten ernstiger waren en dat hij niet fulltime kon werken. De Raad overwoog echter dat het oordeel van de onafhankelijke deskundige, ondersteund door medische rapporten en de CIZ-indicatie, leidend is. De Raad vond geen aanleiding om van dit oordeel af te wijken en bevestigde de eerdere uitspraak dat appellant geschikt is voor de geselecteerde functies en geen recht heeft op WIA-uitkering.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.

Uitspraak

11/1538 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 januari 2011, 08/2138 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 januari 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E. Wolter, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2011. Namens appellant is zijn raadsman, mr. Wolter, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Koning.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft zich vanuit een werkloosheidssituatie op 25 januari 2006 ziek gemeld met psychische klachten als gevolg van een traumatische gebeurtenis. De verzekeringsarts heeft na onderzoek van appellant de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 11 december 2007 opgesteld waarbij beperkingen zijn opgenomen in het sociaal en persoonlijk functioneren. In verband met lichamelijke klachten zijn tevens beperkingen aangenomen met betrekking tot dynamische handelingen en statische houdingen. In een rapport van 15 januari 2008 heeft de arbeidsdeskundige na raadpleging van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) een aantal functies geselecteerd, die in overeenstemming worden geacht met de beperkingen van appellant en waarmee hij een zodanig inkomen kan verdienen dat geen sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit.
1.2. Bij besluit van 16 januari 2008 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij met ingang van 23 januari 2008 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
1.3. Nadat appellant bezwaar had ingediend, heeft bezwaarverzekeringsarts P. van Zalinge, appellant, in aansluiting op de hoorzitting, nader onderzocht. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich kunnen vinden in de visie van de primaire verzekeringarts. Beiden zijn van mening dat sprake is van een posttraumatische stressstoornis. De door de verzekeringsarts aangegeven beperkingen acht Van Zalinge adequaat nu beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van de werkdruk en piekbelastingen, evenals conflicthantering waarbij appellant kan terugvallen op mensen die hij vertrouwt. Voorts is tegemoet gekomen aan de klachten van de rug en voeten. Wel dient een kleine bijstelling plaats te vinden ten aanzien van de medicatie waarbij appellant is aangewezen op werk met beperkt persoonlijk risico. Met de verzekeringsarts is de bezwaarverzekeringsarts van mening dat geen sprake is van ‘geen duurzame benutbare mogelijkheden’. Naar aanleiding daarvan heeft de bezwaarverzekeringsarts de FML op 27 mei 2008 bijgesteld. De schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid is vervolgens gebaseerd op de eerder aan appellant voorgehouden functies productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180), wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (Sbc-code 267050) en elektronica monteur (Sbc-code 267040) en blijft minder dan 35%.
1.4. Bij besluit van 12 juni 2008 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft psychiater/neuroloog C.J.F. Kemperman als deskundige ingeschakeld. Deze deskundige heeft een onderzoek ingesteld en daarvan verslag gedaan bij rapport van 4 maart 2010. Blijkens dat rapport heeft deze deskundige zich vanuit zijn vakgebied bezien, kunnen verenigen met de door de verzekeringsartsen van het Uwv ten aanzien van appellant vastgestelde beperkingen. Voorts heeft de deskundige aangegeven dat wanneer de te duiden arbeid voldoet aan het beperkingenprofiel, er vanuit psychiatrische of neurologische optiek niet gesteld kan worden dat ook nog een kwantitatieve beperking in arbeidsduur zou moeten worden aangenomen. De rechtbank heeft, doorslaggevende betekenis toekennende aan de bevindingen en conclusies van de deskundige Kemperman, en overwegende dat de voor appellant geselecteerde functies binnen zijn belastbaarheid liggen, het beroep tegen bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zijn stellingen in hoger beroep herhaald. Er zijn gegronde redenen om af te wijken van het advies van deskundige Kemperman. Appellant heeft nog steeds aanzienlijke psychische gezondheidsproblemen en is daardoor niet in staat om op de datum in geding fulltime arbeid te verrichten. Naar aanleiding van een traumatische gebeurtenis is appellant onder behandeling gekomen van psychiater S. Sidali. Uit een ongedateerde brief van Sidali, die door appellant bij de rechtbank is overgelegd, geeft Sidali aan dat appellant sinds medio 2006 onder behandeling is gekomen vanwege een ernstige poststraumatische stressstoornis gepaard gaande met depressieve klachten. Verder geeft Sidali aan dat er “sinds enige tijd sprake is van klachtenvermindering en de depressie opklaart”. Eerst sinds de zomer van 2011 is appellant gestopt met gesprekken met de psychiater, maar de medicatie wordt, via herhaalrecepten van de huisarts, voortgezet. Voorts is gewezen op een indicatiebesluit voor ondersteunende begeleiding van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) van 25 juni 2008 waarin appellant gedurende twee dagdelen per week ondersteuning krijgt in verband met zijn psychische en lichamelijke aandoeningen. Ook de lichamelijke beperkingen zijn onderschat, mede gelet op de medicatie die appellant moest nemen op de datum in geding. Gelet op de ernst van zijn psychosociale problemen en lichamelijke klachten bestond er volgens appellant aanleiding tot het aannemen van een arbeidsurenbeperking.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2.1. De rechtbank heeft terecht gewezen op de in vaste rechtspraak besloten liggende lijn dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te worden gevolgd, behoudens feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt van dat uitgangspunt af te wijken. Van dergelijke feiten of omstandigheden is de Raad, evenals de rechtbank, niet gebleken.
4.2.2. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat psychiater/neuroloog Kemperman op uitgebreide en inzichtelijke wijze heeft gemotiveerd hoe hij tot de conclusie is gekomen dat de door het Uwv opgestelde FML kan worden gehandhaafd. De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en maakt dit tot het zijne.
4.3. Ten aanzien van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad dat dit een herhaling is van hetgeen appellant in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. De Raad overweegt daarnaast dat psychiater/neuroloog Kemperman in het kader van zijn onderzoek informatie heeft opgevraagd bij psychiater Salidi. Blijkens zijn rapportage heeft Kemperman deze betrokken bij zijn expertise. Ook de CIZ-indicatie heeft Kemperman bij zijn expertise betrokken. Daaraan toegevoegd merkt de Raad hierover nog op dat de in de CIZ-indicatie niet ziet op de datum in geding. Bovendien steunen de in deze indicatie verwoorde opvattingen niet op onderliggende medische gegevens en zien deze op een andere beoordeling dan een beoordeling van aanspraken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
4.4. Met de rechtbank is de Raad, uitgaande van de juistheid van de FML van 27 mei 2008, van oordeel dat appellant in staat kan worden geacht de voor hem geselecteerde functies te verrichten.
5.1. Gelet op het overwogene in 4.2.1 tot en met 4.4 treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.2. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2012.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) J.R. Baas.
GdJ