ECLI:NL:CRVB:2012:BV2298
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering en procesbelang bij hoger beroep
In deze zaak gaat het om de toekenning van een loongerelateerde WGA-uitkering aan appellante, die in hoger beroep is gegaan tegen een uitspraak van de rechtbank Breda. De rechtbank had eerder geoordeeld dat appellante geen recht had op een uitkering ingevolge de Wet WIA, omdat zij op de relevante datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het Uwv had echter later het bezwaar van appellante gegrond verklaard en haar een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, waarbij haar arbeidsongeschiktheid was vastgesteld op 35,94%.
Tijdens de zitting heeft appellante aangegeven dat zij geen aanspraak wil maken op een IVA-uitkering, maar op een WGA-uitkering met een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage. De Centrale Raad van Beroep heeft zich vervolgens de vraag gesteld of appellante voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak. De Raad heeft vastgesteld dat, ongeacht de uitkomst van de procedure, het resultaat voor appellante geen feitelijke betekenis kan hebben, omdat haar uitkering al was toegekend.
Daarom heeft de Raad het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk verklaard. De Raad heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 27 januari 2012, waarbij de Raad in het openbaar heeft geoordeeld dat de hoogte van de uitkering voor appellante niet afhankelijk is van de mate van arbeidsongeschiktheid, zolang deze ten minste 35% bedraagt. De Raad heeft ook opgemerkt dat appellante de mogelijkheid heeft om bezwaar te maken tegen een nieuw besluit dat betrekking heeft op de beëindiging van haar loongerelateerde WGA-uitkering.