Uitspraak
(hierna: aangevallen uitspraak),
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) waarbij hem een AOW-pensioen van 20% van het maximale bedrag werd toegekend. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het beroepschrift niet tijdig was ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was.
In hoger beroep stelde appellant dat er enkele onjuistheden in de uitspraak stonden en dat zijn pensioenaanspraken niet goed waren geregeld door zijn voormalige uitzendbureau. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze punten niet relevant zijn voor de ontvankelijkheid van het beroep en bevestigde dat het beroepschrift niet tijdig was ingediend.
De Raad vond geen aanwijzingen voor een verschoonbare termijnoverschrijding en zag geen reden om de aangevallen uitspraak te vernietigen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt daarmee de niet-ontvankelijkheid van het beroep.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige indiening zonder verschoonbare reden.