AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging ontslag wegens ernstig plichtsverzuim bij overboeking en bezit gemeentelijke eigendommen
Appellant was ruim dertig jaar in dienst bij de gemeente Alphen aan den Rijn en ondersteunde het comité Open Monumentendag (COM). Op 7 september 2006 maakte hij € 5.543,02 over van de COM-rekening naar zijn privébankrekening, zonder hierover te informeren. Pas in mei 2009, na aansporing door het college, werd het bedrag teruggestort.
Daarnaast had appellant gemeentelijke eigendommen, zoals munten en telefoonkaarten, zonder toestemming thuis in bezit en wijzigde hij in oktober 2006 zonder overleg de tenaamstelling van een COM-bankrekening op zijn eigen naam. Naar aanleiding van klachten van zijn ex-vrouw en een onderzoek van het Bureau Integriteit Nederlandse Gemeenten legde het college hem ongevraagd ontslag op.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Raad dit oordeel. Hoewel appellant een verklaring gaf voor de overboeking, acht de Raad deze ongeloofwaardig en wijst op het ernstige plichtsverzuim. Ook het bezit van gemeentelijke eigendommen zonder toestemming en de wijziging van de rekeningtenaamstelling zijn plichtsverzuim.
De Raad vindt de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig gezien de ernst van de gedragingen en het vertrouwen dat het college moet kunnen stellen in ambtenaren die met gelden omgaan. Andere omstandigheden zoals de staat van dienst en leeftijd brengen geen ander oordeel mee. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het onvoorwaardelijk ontslag wordt bevestigd.
Uitspraak
10/6885 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 november 2010, 10/4972 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen aan den Rijn (hierna: college)
Datum uitspraak: 26 januari 2012
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P.F. Adolf. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Nieuwenhuizen en B.M.C. Willems, beiden werkzaam bij de gemeente Alphen aan den Rijn.
Op verzoek van appellant is ter zitting verschenen en als getuige gehoord P. Verkade, wonende te Alphen aan den Rijn.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellant is ruim dertig jaar in dienst geweest bij de gemeente Alphen aan den Rijn, laatstelijk in de functie van medewerker [naam functie]. In het kader van die functie leverde appellant ambtelijke ondersteuning aan het comité “Open Monumentendag Alphen aan den Rijn” (hierna: COM). Appellant was onder meer verantwoordelijk voor secretariaatswerkzaamheden, de afhandeling van de financiën en de declaraties van het comité richting de gemeente.
1.2. In maart 2009 heeft de ex-vrouw van appellant de gemeente een tweetal brieven gestuurd, waarin zij meedeelde dat appellant in 2006 geld van een rekening van het COM naar zijn privérekening heeft overgeboekt en dat hij relatiegeschenken van de gemeente in zijn bezit heeft. Naar aanleiding hiervan hebben er in mei 2009 gesprekken plaatsgevonden met appellant en heeft het college het Bureau Integriteit Nederlandse Gemeenten (hierna: BING) in juni 2009 verzocht een onafhankelijk onderzoek in te stellen. BING heeft op 10 september 2009 rapport uitgebracht.
1.3. Gelet op de uitkomsten van voornoemd rapport is appellant op 10 september 2009 het voornemen meegedeeld hem strafontslag te verlenen. Nadat appellant daarop zijn zienswijze heeft gegeven, heeft het college appellant bij besluit van 14 oktober 2009 met ingang van 1 november 2009 de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag opgelegd. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 11 mei 2010.
1.4. Het college verwijt appellant op 7 september 2006 een bedrag van € 5.543,02 te hebben overgeboekt van een rekening van het COM naar zijn privérekening zonder iemand hierover te informeren en pas op 20 mei 2009, nadat hij daarop door het college was aangesproken, tot terugboeking van dat bedrag te zijn overgegaan. Verder heeft appellant zonder overleg en zonder toestemming bankrekeningen van het COM op zijn privéadres laten registreren en de tenaamstelling van één van die rekeningen laten veranderen in die zin dat de rekening op naam van appellant zelf werd gesteld. Ook heeft appellant zonder toestemming en zonder overleg in 2002 gemeentelijke eigendommen, zoals munten en telefoonkaarten, mee naar huis genomen.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.
3.1. Met de rechtbank stelt de Raad vast dat niet in geschil is dat appellant op 7 september 2006 € 5.543,02 van de Rabo-betaalrekening van het COM naar een privé-bankrekening bij de Fortisbank heeft overgemaakt en dat hij dat bedrag pas op 20 mei 2009, na daarop door het college te zijn aangesproken, heeft teruggestort. Evenmin is tussen partijen in geschil dat appellant diverse gemeentelijke eigendommen thuis in bezit had. Partijen verschillen erover van mening hoe de gedragingen van appellant gekwalificeerd moeten worden en of de straf van ongevraagd ontslag niet onevenredig is aan de ernst van het ten laste gelegde plichtsverzuim.
3.2. Voor het overmaken van het hiervoor genoemde bedrag heeft appellant als verklaring gegeven dat hij mogelijk geld nodig had voor het huren van boten op de open monumentendag van 9 september 2006. Van de Rabo-rekening van het COM had hij geen bankpas en omdat hij niet met een groot geldbedrag op zak wilde lopen, heeft hij het geld naar zijn privérekening overgemaakt, zodat hij dan met zijn eigen bankpas zou kunnen pinnen. Dat hij er niet aan heeft gedacht het geld, dat hij uiteindelijk niet nodig heeft gehad, na de open monumentendag weer terug te storten, wijt appellant aan drukte op het werk.
3.3. De Raad is van oordeel dat het college deze handelwijze van appellant terecht heeft aangemerkt als ernstig plichtsverzuim. Zo appellant al een goede reden had om een bedrag van de rekening van het COM over te schrijven naar zijn eigen rekening - waarbij er overigens wel vraagtekens zijn te plaatsen bij de hoogte van het overgeschreven bedrag - kan hem worden verweten dat hij dit bedrag niet onmiddellijk na 9 september 2006 heeft teruggestort. De reden die appellant hiervoor heeft opgegeven acht de Raad ongeloofwaardig. Evenmin als het college en de rechtbank is de Raad ervan overtuigd dat appellant dat bedrag ooit uit eigen beweging zou hebben teruggestort.
3.4. Appellant heeft in oktober 2006 de tenaamstelling van de Rabo-rekening van het COM gewijzigd en op zijn eigen naam laten stellen. Door dit zonder overleg en zonder toestemming van het college te doen, heeft appellant zich op dit punt eveneens schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.
3.5. Tenslotte onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat appellant zich niet als een goed ambtenaar heeft gedragen door zonder toestemming gemeentelijke eigendommen mee naar huis te nemen. Dat die goederen geen betekenis meer hadden voor de gemeente en geen waarde meer bezaten in het economisch verkeer doet daaraan, wat daarvan ook zij, niet af.
3.6. De Raad acht het plichtsverzuim van appellant van een zodanige ernst dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is te achten. Het college moet bij het beheer van gelden kunnen vertrouwen op de integriteit van de daarmee belaste ambtenaren. Appellant heeft dat vertrouwen in hoge mate beschaamd. Het door appellant aangevoerde gebrek aan uitvoeringsvoorschriften doet niet af aan zijn eigen verantwoordelijkheid. Ook de overige door appellant genoemde omstandigheden, zoals zijn onberispelijke staat van dienst, leeftijd en arbeidsmarktpositie, brengen de Raad niet tot een ander oordeel.
4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrechten inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en H.C.P. Venema en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2012.