ECLI:NL:CRVB:2012:BV2600

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-6940 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7:15 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtbankuitspraak over niet-ontvankelijkheid bezwaar inkomstenverklaring WWB

Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en was kortdurend in dienst bij Albert Heijn. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam stelde de uitkering tijdelijk stop vanwege onvolledige inkomstenverklaring. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, die het College niet-ontvankelijk verklaarde. De rechtbank vernietigde het besluit van niet-ontvankelijkheid voor zover het betrekking had op de inkomstenverklaring, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat de verklaring geen besluit is.

In hoger beroep handhaafde appellante haar bezwaren, met name tegen de proceskostenvergoeding en de vermeende schade door de blokkering van de uitkering. De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht de proceskostenvergoeding vaststelde conform het Besluit proceskosten bestuursrecht en dat er geen sprake was van schade omdat de uitkering niet daadwerkelijk was stopgezet.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af, waarbij het bezwaar tegen de inkomstenverklaring niet-ontvankelijk blijft en geen proceskostenveroordeling wordt opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de inkomstenverklaring en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

09/6940 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 november 2009, 09/3201(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 24 januari 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. F. Verkerk, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 13 december 2011. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante ontving sinds 1 september 2003 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Daarvoor ontving appellante bijstand naar de norm voor gehuwden.
1.2. Appellante is met ingang van 16 februari 2009 in dienst getreden bij Albert Heijn, welk dienstverband met ingang van 16 april 2009 is beëindigd.
1.3. Bij brief van 27 maart 2009 is aan appellante meegedeeld dat haar bijstandsuitkering nog niet aan haar is overgemaakt, omdat zij bij haar inkomstenverklaring niet alle gegevens heeft meegezonden.
1.4. Bij brief van 3 april 2009 is appellante verzocht kopieën van loonspecificaties en het met Albert Heijn gesloten arbeidscontract over te leggen.
1.5. Bij brief van 15 april 2009 is aan appellante meegedeeld dat door de verrekening van het inkomen van appellante het met ingang van 1 april 2009 niet meer mogelijk is dat het College de huur, de premies van de zorgverzekering en de termijnnota’s van de NUON uit de uitkering van appellante betaalt.
1.6. Het College heeft aan appellante een formulier van 27 april 2009 toegezonden, waarin melding is gemaakt van de hoogte van de inkomsten van appellante met de vraag of deze inkomsten voor de maand april zijn gewijzigd. Tevens is aan appellante een uitkeringsspecificatie van april 2009 toegezonden.
1.7. Het College heeft bij besluit van 4 juni 2009 het tegen de brief van 27 maart 2009 en de uitkeringsspecificatie van april 2009 gemaakte bezwaar vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard. Het College heeft bij hetzelfde besluit het tegen de brieven van 3 april 2009 en 15 april 2009 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat deze brieven niet zijn aan te merken als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 juni 2009 vernietigd voor zover dat betrekking heeft op de brief van 27 april 2009 en bepaald dat de rechtsgevolgen in zoverre in stand blijven. Daarbij heeft de rechtbank het bezwaar van appellante gericht geacht tegen de inkomstenverklaring van 27 april 2009 en overwogen dat deze inkomstenverklaring geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb, zodat het bezwaar op een onjuiste grond niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank heeft voorts bepaald dat het College de proceskosten en het griffierecht aan appellante moet vergoeden.
3. In hoger beroep heeft appellante haar in bezwaar en beroep aangevoerde gronden gehandhaafd en verzocht deze als herhaald en ingelast te beschouwen in het onderhavige geding. De gronden van het hoger beroep zijn specifiek gericht tegen de hoogte van de vergoeding van proceskosten, waartoe de rechtbank het College heeft veroordeeld. Tevens heeft appellante aangevoerd dat het College gehouden is de schade die zij als gevolg van de blokkering van de uitkering heeft geleden, te vergoeden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank over het besluit van 4 juni 2009 en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen voor onjuist te houden.
4.2. De Raad is van oordeel dat de rechtbank de veroordeling in de proceskosten in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht terecht heeft vastgesteld op € 322,-- op de grond dat appellante in beroep één voor vergoeding in aanmerking komende proceshandeling heeft verricht, te weten het indienen van een beroepschrift. Met betrekking tot de kosten in bezwaar merkt de Raad op dat op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb slechts tot veroordeling in de proceskosten van de bezwaarprocedure kan worden overgegaan indien zich een situatie voordoet die is te kwalificeren als het herroepen van het in bezwaar bestreden besluit wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In het onderhavige geval doet zich een dergelijke situatie niet voor.
4.3. De Raad stelt voorts vast dat het College nimmer uitvoering heeft gegeven aan de in de brief van 27 maart 2009 vermelde tijdelijke stopzetting van de uitkering van appellante. De bijstand is met ingang van 26 maart 2009 aan appellante betaalbaar gesteld. De stelling van appellante dat zij als gevolg van de stopzetting van de uitkering schade heeft geleden, mist derhalve feitelijke grondslag.
4.4. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en W.F. Claussens en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2012.
(get.) C. van Viegen.
(get.) N.M. van Gorkum.
HD