ECLI:NL:CRVB:2012:BV3476
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.M. van Dun
- A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep veroordeelt UWV in proceskosten na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming
Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Breda inzake een besluit van het UWV. Tijdens de procedure nam het UWV een nieuwe beslissing op bezwaar waarbij geheel aan de bezwaren van appellant werd tegemoetgekomen. Hierdoor trok appellant het hoger beroep in en verzocht om een proceskostenveroordeling van het UWV.
De Raad voor de Rechtspraak stelde vast dat het hoger beroep terecht was ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel aan de bezwaren tegemoet was gekomen. Op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet kon het UWV worden veroordeeld in de proceskosten die appellant redelijkerwijs had moeten maken.
De Raad begrootte de proceskosten op € 1.771,--, bestaande uit kosten voor verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep. De vergoeding van het griffierecht werd aan appellant gelaten om rechtstreeks bij het UWV te vorderen. De Raad veroordeelde het UWV tot betaling van deze proceskosten.
De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 8 februari 2012, waarbij het onderzoek ter zitting achterwege bleef met instemming van partijen.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant van € 1.771,-- na intrekking van het hoger beroep wegens tegemoetkoming.