ECLI:NL:CRVB:2012:BV3868
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft zich ziek gemeld vanwege hartklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat zij beperkingen heeft, vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), maar dat zij met deze beperkingen geschikt is voor bepaalde functies. Hierdoor werd haar arbeidsongeschiktheid op minder dan 35% vastgesteld, wat leidt tot afwijzing van de WIA-uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen, met name door een angststoornis, onvoldoende waren erkend en dat zij analfabeet is, waardoor zij niet geschikt zou zijn voor functies met een basisonderwijsvereiste.
De Raad oordeelde dat de beperkingen zoals vastgesteld in de FML juist zijn en dat de psychische klachten, waaronder een gegeneraliseerde angststoornis, geen aanleiding geven tot extra beperkingen. Ook werd geoordeeld dat de mondelinge beheersing van de Nederlandse taal en het vermogen tot het volgen van een korte introductiecursus voldoende zijn voor de geduide functies. De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.