ECLI:NL:CRVB:2012:BV3872
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens deugdelijke medische grondslag
Appellant stelde bezwaar tegen het besluit van het UWV van 12 januari 2009 waarin werd vastgesteld dat hij geen recht had op een WIA-uitkering. De rechtbank vernietigde dit besluit vanwege een ondeugdelijke arbeidskundige grondslag, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat het UWV alsnog een deugdelijke onderbouwing had gegeven.
In hoger beroep richtte appellant zich tegen het deel van de uitspraak dat de rechtsgevolgen in stand liet. Hij voerde aan dat hij niet in staat was om fulltime te werken en verwees naar een verklaring van zijn huisarts en een WSW-herindicatie rapportage.
De Raad overwoog dat deze gronden een herhaling waren van eerdere bezwaren die reeds door de rechtbank waren beoordeeld. De verklaring van de huisarts en de WSW-rapportage boden geen aanwijzingen dat de medische grondslag van het UWV-besluit ondeugdelijk was. Ook bleek niet dat appellant niet fulltime kon werken in passende functies.
De Raad benadrukte dat een urenbeperking in het kader van de WSW niet automatisch betekent dat die ook geldt voor de WIA, omdat de beoordelingskaders verschillen. De medische gronden voor een urenbeperking ontbraken in de WSW-rapportage. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.