ECLI:NL:CRVB:2012:BV3873
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering ondanks syndroom van Marfan en beperkingen
Appellant ging in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam die zijn beroep tegen het besluit van het Uwv ongegrond verklaarde. Het Uwv had geweigerd een WIA-uitkering toe te kennen op grond van verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapportages, inclusief een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).
Appellant voerde aan dat het syndroom van Marfan en de daarmee samenhangende beperkingen onvoldoende waren meegewogen, dat hij de in de rapportages genoemde functies niet kon vervullen en dat de geschikte functies monotoon werk betreffen, wat voor hem ongeschikt zou zijn. De Raad overwoog dat aan dergelijke rapportages een bijzondere waarde toekomt, maar dat appellant aannemelijk moest maken dat deze onjuist of onzorgvuldig waren.
De Raad stelde vast dat de verzekeringsartsen op de hoogte waren van het syndroom van Marfan en dat hiermee rekening was gehouden. Appellant had geen medische verklaring overgelegd die zijn stellingen ondersteunde. De aangepaste rapportages bevestigden dat appellant geschikt was voor eenvoudig, gestructureerd en routinematig werk met afwisseling, en de Raad vond dit aannemelijk.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.