ECLI:NL:CRVB:2012:BV3878
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herziening WAO-uitkeringsbesluit wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant verzocht het UWV om terug te komen op het besluit van 16 september 2003 waarin zijn aanvraag voor een WAO-uitkering werd afgewezen. Dit verzoek werd afgewezen omdat appellant geen nieuwe medische feiten of omstandigheden had aangevoerd die een ander licht op de zaak konden werpen.
De rechtbank Dordrecht had het beroep van appellant tegen het afwijzende besluit reeds ongegrond verklaard, omdat de aangevoerde gronden geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vormden zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In hoger beroep herhaalde appellant zijn grieven, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV in redelijkheid tot het bestreden besluit kon komen. De overgelegde rapporten waren al bekend bij het UWV en werden te laat ingebracht. Ook werd geen schending van het fair trial-beginsel of de redelijke termijn vastgesteld.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek van appellant om terug te komen op het afwijzende WAO-besluit wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.