ECLI:NL:CRVB:2012:BV6120

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5043 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging toekenning WAO-uitkering bij arbeidsongeschiktheid van 65-80%

Appellant, die van 1999 tot 2005 een WAO-uitkering ontving, kreeg vanaf 2 oktober 2008 opnieuw een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65-80%. Het UWV verklaarde het bezwaar van appellant tegen deze toekenning ongegrond. De rechtbank Groningen verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit eveneens ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld en de passende functies adequaat waren gemotiveerd.

In hoger beroep voerde appellant aan dat door toegenomen epileptische aanvallen en krachtsverlies in handen en vingers hij niet in staat was te werken, en dat de functies te zwaar waren. Hij overhandigde een brief van zijn neuroloog ter ondersteuning. De Raad overwoog echter dat deze nieuwe argumenten niet tot een ander oordeel leidden dan de rechtbank eerder had gedaan. Het rapport van de bezwaarverzekeringsarts, waarin de epileptische aanvallen en hun gevolgen werden beoordeeld, werd als overtuigend beschouwd.

Met betrekking tot het krachtsverlies in handen en vingers stelde de Raad dat de WSW-beoordeling niet gelijk is aan de WAO-beoordeling en bovendien niet op de datum in geding ziet. Een aanvullend onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat er geen duidelijke structurele stoornis was en dat beperkingen in fijne motoriek niet noodzakelijk waren. De Raad achtte dit onderzoek zorgvuldig en zag geen reden om hieraan te twijfelen.

Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de toekenning van de WAO-uitkering met 65-80% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.

Uitspraak

10/5043 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 20 juli 2010, 09/1111 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Datum uitspraak: 17 februari 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.A. Severijn, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Severijn. Het Uwv was vertegenwoordigd door
mr. A.I. Damsma.
Tijdens de behandeling in raadkamer is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. De Raad heeft het onderzoek heropend en het Uwv verzocht alsnog appellants hand- en vingergebruik te laten onderzoeken en aan te geven of er reden is om de Functionele Mogelijkhedenlijst aan te scherpen.
Het Uwv heeft op 11 november 2011 een rapport ter zake van de bezwaarverzekeringsarts van 10 november 2011 overgelegd. Appellant heeft daarop gereageerd.
Vervolgens hebben beide partijen toestemming gegeven om een nadere zitting achterwege te laten.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant ontving van 1999 tot 2005 een WAO-uitkering.
1.2. Bij besluit van 29 mei 2009 is hem, na een ziekmelding per 4 september 2008, ingaande 2 oktober 2008 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%.
1.2. Bij besluit op bezwaar van 9 oktober 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv de medische beperkingen van appellant op de datum in geding juist heeft vastgesteld. De bezwaarverzekeringsarts is op genoegzame en inzichtelijke wijze ingegaan op de bij appellant voorkomende klachten. De (bezwaar)arbeidsdeskundige heeft op genoegzame wijze inzichtelijk gemaakt waarom de geduide functies voor appellant passend worden geacht.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij door de toegenomen epileptische aanvallen niet in staat is om te werken. Daarnaast is sprake van krachtsverlies in de handen en vingers. In de WSW-indicatie zijn ter zake wel beperkingen aangenomen. De functies zijn te zwaar voor hem. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij een brief van de neuroloog van 30 mei 2011 overgelegd.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Aangaande de brief van de neuroloog van 30 mei 2011 met betrekking tot de frequentie van de epileptische aanvallen en het tijdstip daarvan wijst de Raad op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 21 juli 2011, waarin is ingegaan op de aanvalsfrequentie en de gevolgen daarvan. De Raad acht de motivering in dit rapport overtuigend.
4.3. Met betrekking tot het krachtsverlies in de handen en vingers overweegt de Raad dat een beoordeling in het kader van de WSW een andere is dan een WAO-beoordeling. Bovendien ziet de WSW-beoordeling niet op de datum in geding, 2 oktober 2008.
Op verzoek van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts nader onderzoek gedaan naar het hand- en vingergebruik van appellant. De Raad acht dit onderzoek deugdelijk en zorgvuldig. De bezwaarverzekeringsarts heeft een anamnese afgenomen, heeft appellant een schrijfproef laten doen en hem geobserveerd bij het uitvoeren van bepaalde handelingen. Voorts heeft hij de in het dossier aanwezige gegevens bestudeerd. Hij heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van enige duidelijke structurele stoornis en dat er geen noodzaak is om beperkingen ten aanzien van de fijne motoriek aan te geven. Ook heeft hij er op gewezen dat er beperkingen zijn aangegeven voor trillingen, tillen, dragen, duwen, trekken en zware lasten hanteren. Daarmee is volgens hem voldoende rekening gehouden met de chronische pijnklachten van de arm. De Raad ziet geen reden om aan deze conclusie te twijfelen.
5. Het hoger beroep slaagt niet. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2012.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) K.E Haan.
KR