ECLI:NL:CRVB:2012:BV6612
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
De zaak betreft een hoger beroep van een werkgever tegen besluiten van het UWV waarin een loonsanctie is opgelegd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen voor een werknemer die sinds een arbeidsongeval arbeidsongeschikt is. De loonsanctie houdt in dat het recht op loon tijdens ziekte met 52 weken is verlengd, omdat de werkgever volgens het UWV onvoldoende heeft gedaan om de werknemer te re-integreren.
De rechtbank had het beroep van de werkgever ongegrond verklaard, stellende dat de werkgever zich te afwachtend had opgesteld en te veel had vertrouwd op het blokkerende advies van de bedrijfsarts. In hoger beroep betoogde de werkgever dat zij voldoende re-integratie-inspanningen had verricht en dat de medische adviezen van de bedrijfsarts consistent waren, terwijl het onderzoek van de verzekeringsarts onzorgvuldig zou zijn geweest.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de werkgever vanaf februari 2007 re-integratie-inspanningen had moeten verrichten, ondanks het feit dat de revalidatiebehandeling tijdelijk was onderbroken. De Raad stelt dat de bedrijfsarts ten onrechte een blokkerend advies heeft gegeven en dat er geen sprake was van een situatie zonder benutbare mogelijkheden. De werkgever heeft echter geen re-integratie-inspanningen verricht en kan zich niet beroepen op het vertrouwen in het oordeel van de bedrijfsarts, gelet op haar eigen verantwoordelijkheid.
De Raad bevestigt daarom de loonsanctie en de weigering tot verkorting daarvan. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak van de rechtbank Utrecht wordt bevestigd.
Uitkomst: De loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt bevestigd en het beroep tegen de weigering tot verkorting wordt afgewezen.