10/3341 WIA en 10/3342 WIA
op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 4 mei 2010, 08/1253 en 08/3188 (aangevallen uitspraak),
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Datum uitspraak: 22 februari 2012
Namens appellante heeft mr. R.V.C.F. Dingemans, advocaat te Maarssen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2011. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde mr. Dingemans. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.
1.1. Bij besluit van 9 november 2007 heeft het Uwv het tijdvak waarin [naam werknemer] (de werknemer) jegens appellante als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte verlengd met 52 weken. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de wachttijd van 104 weken, en op de grond dat de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest. Voor dit verzuim ontbreekt volgens het Uwv een deugdelijke grond. Het Uwv heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65 van de Wet WIA.
1.2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 20 maart 2008 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.
2.1. Bij besluit van 16 april 2008 heeft het Uwv beslist dat de opgelegde loonsanctie niet wordt verkort, op de grond dat de tekortkoming in de re-integratie-inspanningen door appellante niet was hersteld.
2.2. Appellante heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 25 september 2008 (bestreden besluit 2) heeft appellante het bezwaar ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. De rechtbank was met betrekking tot bestreden besluit 1 van oordeel dat appellante mag afgaan op de medische adviezen van de bedrijfsarts, tenzij er omstandigheden zijn om te twijfelen aan de juistheid en/of de consistentie van die adviezen. De rechtbank heeft in dit verband aangegeven dat appellante zich gelet op de door de bedrijfsarts opgemaakte rapportages in de periode van 9 september 2005 tot en met 24 mei 2007 op enig moment had moeten afvragen of deze de arbeidsmogelijkheden van de werknemer niet te negatief inschatte. Nu appellante tot maart 2008 enkel het blokkerend advies van de bedrijfsarts heeft gevolgd en in het geheel niet heeft bezien of zij met de re-integratie wel op de goede weg zat is betrokkene in het kader van de re-integratie te afwachtend geweest. Met betrekking tot het bestreden besluit 2 heeft de rechtbank overwogen dat daartegen geen inhoudelijke gronden zijn aangevoerd, zodat ook het hiertegen ingestelde beroep ongegrond is.
4.1. In het hoger beroep met betrekking tot de opgelegde loonsanctie heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat zij wel voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Zij had - mede op basis van haar eigen observaties - geen reden voor twijfel aan de adviezen van de bedrijfsarts inhoudende dat de werknemer geen benutbare mogelijkheden had. De rapportages van de bedrijfsarts waren consistent. Appellant is van mening dat het onderzoek door de verzekeringsarts van het Uwv onzorgvuldig is geweest en dat de verzekeringsarts in collegiaal overleg had moeten treden met de bedrijfsarts, gezien het aanmerkelijke verschil van medisch inzicht. Voor appellante zijn deze verschillen van inzicht onbegrijpelijk.
5.1. Met betrekking tot bestreden besluit 1 (de opgelegde loonsanctie)
5.2. Gelet op de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of het Uwv terecht het tijdvak waarin de werknemer recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken heeft verlengd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door appellante, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA.
5.3. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.
5.4. Het standpunt van het Uwv dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht is gebaseerd op de conclusies in de rapportages van de verzekeringsarts van 5 oktober 2007 en 9 november 2007 en van de arbeidsdeskundige van 31 oktober 2007, erop neerkomend dat re-integratie-activiteiten, gelet op de vanaf februari 2007 bij de werknemer bestaande benutbare mogelijkheden, al vroeg opgepakt hadden kunnen worden. Er is teveel een klachtcontingente benadering geweest, de bedrijfsarts heeft ten onrechte een blokkerend advies afgegeven, waardoor er gedurende de wachttijd in het geheel geen re-integratie-inspanningen zijn verricht.
5.5. Zoals de Raad al meerdere malen heeft beslist is de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij de werkgever gelegen. De Raad verwijst daartoe naar zijn uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3713.
5.6. De Raad overweegt dat de stukken voldoende steun bieden voor het standpunt van het Uwv dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De werknemer is op 24 augustus 2005 tijdens het werk van een steiger gevallen. Na behandeling door een fysiotherapeut en neuroloog is hij doorgestuurd naar revalidatiecentrum De Hoogstraat waar hij eind 2006 is opgenomen voor een behandeling gedurende drie maanden. Deze behandeling is in verband met een darminfectie in januari 2007 onderbroken. De verzekeringsarts heeft in haar rapportage van 5 oktober 2007 geconcludeerd dat er sprake is van chronisch aspecifieke lage rugklachten. Volgens de verzekeringsarts is de werknemer vanaf februari 2007 - toen de werknemer niet meer onder behandeling was voor de darmklachten en ook duidelijk was dat er geen sprake was van ernstige darmproblematiek - belastbaar voor licht werk, waarbij hij houdingen en bewegingen enigszins kan afwisselen en waarbij een geleidelijke hervatting de voorkeur verdient. Deze conclusie is gebaseerd op bevindingen van de verzekeringsarts bij lichamelijk onderzoek van de werknemer tijdens het spreekuur op 5 oktober 2007, op informatie van de internist A.E. de Graaff van 22 augustus 2007 en op via de bedrijfsarts verkregen informatie van neuroloog Anderson van augustus 2006. De Raad ziet dan ook geen reden het onderzoek door de verzekeringsarts onzorgvuldig te achten. De Raad heeft voorts gelet op de medische gegevens in het dossier geen aanleiding voor twijfel aan de conclusie van de verzekeringsarts. De Raad heeft in dit verband vastgesteld dat de bedrijfsarts in het actueel oordeel van 24 mei 2007 heeft aangegeven dat de werknemer door de pijnklachten te zeer fysiek beperkt is, dat er bij de werknemer sprake was van beperkingen in zitten, staan, lopen en tillen etc, en dat de werknemer in afwachting van hervatting van de revalidatie op dat moment niet geschikt te achten was voor eigen dan wel passende arbeid. De Raad overweegt in dit verband dat het enkele feit dat de (revalidatie) behandeling weer opgestart moest worden - anders dan de bedrijfsarts meent - geen reden is voor het niet starten van verdere re-integratie-inspanningen. Een situatie waarin geen sprake is van benutbare mogelijkheden is naar het de Raad voorkomt ook in de visie van de bedrijfsarts, gelet op de door deze genoemde beperkingen, niet aan de orde. De Raad volgt dan ook het standpunt van het Uwv dat vanaf februari 2007 re-integratie-inspanningen verricht hadden moeten worden en dat de bedrijfsarts ten onrechte een blokkerend advies heeft gegeven, en een tijdcontingente benadering had gekozen moeten worden. De Raad heeft echter met het Uwv moeten vaststellen dat er in het geheel geen re-integratie-inspanningen zijn verricht. Dat appellante geen actie heeft ondernomen omdat zij vertrouwde op het oordeel van de bedrijfsarts, leidt de Raad niet tot een ander oordeel gelet op de eigen verantwoordelijkheid van de werkgever in dezen.
Gelet hierop heeft het Uwv naar het oordeel van de Raad terecht geconcludeerd dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat hiervoor geen deugdelijke grond aanwezig is.
5.7. Uit hetgeen onder 5.2 tot en met 5.6 is overwogen, volgt dat de Raad van oordeel is dat het Uwv terecht is overgegaan tot het opleggen van een loonsanctie. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak wat betreft bestreden besluit 1 dient te worden bevestigd.
6.1. Met betrekking tot bestreden besluit 2 (de bekorting van de loonsanctie)
6.2. In geschil is of het Uwv terecht heeft geweigerd om de duur van de loonsanctie te bekorten. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of appellante haar tekortkoming ten aanzien van de re-integratie-inspanningen heeft hersteld.
6.3. De Raad overweegt in dit verband als volgt.
6.4. Zoals ter zitting van de zijde van appellant is aangegeven, zijn geen inhoudelijke gronden aangevoerd tegen de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op het besluit tot weigering om de duur van de loonsanctie te bekorten. Dit leidt er toe dat de aangevallen uitspraak wat betreft bestreden besluit 2 dient te worden bevestigd.
7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
De Centrale Raad van Beroep,
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2012.