ECLI:NL:CRVB:2012:BV6859
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens onjuiste vermogensbeoordeling
Appellanten ontvingen sinds 2003 bijstand op grond van de WWB. Het college trok de bijstand in vanwege vermeende overschrijding van de vermogensgrens en weigerde een nieuwe aanvraag van 5 mei 2008 op die grond. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde de Raad vast dat appellanten op de datum van aanvraag niet over het vermeende vermogen konden beschikken, omdat het bedrag van € 22.000 op een rekening van een derde stond en er geen machtiging was. De verklaringen van appellanten over terugvorderbaarheid van het geld waren onvoldoende om te concluderen dat zij redelijkerwijs over het vermogen konden beschikken.
De Raad oordeelde dat het college de aanvraag ten onrechte had afgewezen en dat het bestreden besluit niet deugdelijk was gemotiveerd. De aangevallen uitspraak werd vernietigd en het college werd opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellanten.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt vernietigd en het college moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen.