ECLI:NL:CRVB:2012:BV6866

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-4519 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10a.8 Wsf 2000Art. 11.5 Wsf 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vaststelling maandelijkse terugbetaling studieschuld zonder toepassing hardheidsclausule

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap waarbij het maandelijkse terug te betalen bedrag voor haar studieschuld is vastgesteld op €193,55 per maand, gebaseerd op haar toetsingsinkomen in 2008.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. Appellante voerde aan dat haar draagkracht te hoog was vastgesteld gelet op haar budget en verzocht om toepassing van de hardheidsclausule. De Raad overweegt dat de wetgever bij de Wsf 2000 nadrukkelijk niet heeft gekozen voor het meenemen van het besteedbaar inkomen of individuele uitgavenpatroon bij de draagkrachtbepaling.

De Raad ziet geen zeer bijzondere individuele omstandigheden die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen en oordeelt dat de Minister redelijk heeft gehandeld door af te zien van toepassing daarvan. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het maandelijkse terug te betalen bedrag van €193,55 wordt bevestigd.

Uitspraak

11/4519 WSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats], Curaçao (appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 juni 2011, 10/1430 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister).
Datum uitspraak: 24 februari 2012
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2012. Appellante is niet verschenen. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 6 augustus 2010 heeft de Minister vastgesteld dat appellante vanaf 1 augustus 2010 maandelijks € 193,55 aan hem kan betalen in verband met een studieschuld.
1.2. Bij besluit van 22 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft de Minister zijn besluit van 6 augustus 2010 gehandhaafd. Het maandelijks door appellante aan de Minister over te maken bedrag is gebaseerd op het inkomen zoals bedoeld in artikel 10a.8 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante naar voren gebracht dat haar draagkracht, gelet op haar budget, te hoog is vastgesteld. Appellante heeft in dit verband verzocht om toepassing van de hardheidsclausule.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Op grond van artikel 10a.8, eerste lid, van de Wsf 2000 is de maatstaf voor de vaststelling van de draagkracht van appellante voor 2010 haar toetsingsinkomen in het jaar 2008.
4.2. Bij de aanvraag voor het verlagen van het maandbedrag voor inwoners van de Nederlandse Antillen en Aruba heeft appellante een kopie van de loonbelastingkaart 2008 overgelegd. Daaruit blijkt dat het door haar genoten inkomen over dat jaar f. 62,538,72 bedroeg. De Minister heeft voornoemd bedrag herleid naar een bedrag van € 23.754,- op grond waarvan de draagkracht is vastgesteld op € 193,55.
De hoogte van het inkomen van appellante in 2008 noch de omrekening van dat bedrag in euro’s is tussen partijen in geschil.
4.3.1. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd kan niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 27 augustus 2010, LJN BN5150, heeft de wetgever er blijkens de bepalingen en de ontstaansgeschiedenis van de Wsf 2000 nadrukkelijk niet voor gekozen dat bij het vaststellen van de draagkracht rekening wordt gehouden met het besteedbaar inkomen of de hoogte van het individuele uitgavenpatroon van de debiteur.
4.3.2. Wat betreft het verzoek om toepassing van de hardheidsclausule ziet de Raad in hetgeen door appellante naar voren is gebracht geen zeer bijzondere individuele omstandigheden die nopen tot het buiten toepassing laten van de wettelijke bepalingen. De Minister heeft derhalve in redelijkheid kunnen afzien van zijn bevoegdheid om toepassing te geven aan de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 neergelegde hardheidsclausule.
4.4. Gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 4.3.2 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2012.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) I.J. Penning.
KR