ECLI:NL:CRVB:2012:BV7065

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-697 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:75 AwbArt. 117 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid werkgever bij bezwaar tegen intrekking IVA-uitkering wegens ontbreken concreet belang

Appellant, voormalig werknemer, had recht op een IVA-uitkering die het UWV later introk. Werkgeefster maakte bezwaar tegen het besluit waarbij zij als belanghebbende werd aangemerkt. De Raad stelde vast dat werkgeefster in haar bezwaar geen concreet belang had en ook geen vordering formuleerde die haar belang zou onderbouwen.

De Raad benadrukte dat het enkele feit dat een werkgever als categoraal belanghebbende wordt beschouwd niet automatisch betekent dat deze ook een concreet belang heeft bij bezwaar of beroep. Dit vereist dat het resultaat dat met het bezwaar wordt nagestreefd daadwerkelijk bereikt kan worden en voor de betrokkene feitelijke betekenis heeft.

Omdat het UWV geen onderzoek had verricht naar het concrete belang van werkgeefster en zij zelf geen concreet belang aannemelijk had gemaakt, werd haar bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, evenals het bestreden besluit van het UWV. Tevens werden proceskosten aan appellant toegekend.

Uitkomst: Het bezwaar van de werkgever is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van een concreet belang.

Uitspraak

10/697 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 23 december 2009, 08/2625
(aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Datum uitspraak: 24 februari 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. N.C.A. Elias-Boots, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft desgevraagd ontbrekende stukken overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2011.
Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.
Het onderzoek ter zitting is geschorst en daarbij is bepaald dat het Uwv een nadere toelichting zou geven over het belang van een werkgever bij de toekenning van een IVA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
Het Uwv heeft bij brief van 22 februari 2011 de gevraagde toelichting verstrekt. Het Uwv heeft voorts bij brief van 6 mei 2011 een toelichting gegeven op een nadere vraag van de Raad naar het concrete procesbelang van de werkgever bij toekenning van een
IVA-uitkering.
De nadere zitting is gehouden op 13 januari 2012.
Appellant is met voorafgaand bericht wederom niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.D. van Someren en M.J.H. Maas.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant was van 8 januari 2001 tot 15 juni 2005 werkzaam als medewerker groenvoorziening in dienst van [naam werkgeefster] (werkgeefster). Het Uwv heeft bij besluit van 16 februari 2007, aannemende dat 27 april 2004 de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van appellant was, vastgesteld dat hij met ingang van
25 april 2006 recht had op een IVA-uitkering.
2. Werkgeefster heeft tegen het besluit van 16 februari 2007 bezwaar gemaakt en daarbij verzocht haar niet als belanghebbende aan te merken. Het Uwv heeft in zijn besluit op bezwaar van 25 juni 2008 overwogen dat werkgeefster belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is en heeft bij dit besluit haar bezwaar gegrond verklaard. Voorts heeft het Uwv, uitgaande van wijziging van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag in 28 januari 2005, vastgesteld dat appellant met ingang van 26 januari 2007 geen recht had op een IVA-uitkering omdat hij in staat werd geacht zijn maatmanfunctie te vervullen. Verder heeft het Uwv deze uitkering op grond van artikel 117 van Pro de Wet WIA met ingang van 7 augustus 2008 ingetrokken.
2.1. Appellant heeft beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het besluit van 25 juni 2008 (bestreden besluit). Werkgeefster heeft niet gereageerd op de haar door de rechtbank geboden gelegenheid om als partij aan het geding deel te nemen.
2.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep gronden aangevoerd tegen de medische beoordeling en de wijziging bij het bestreden besluit van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag.
4.1. Op de beide in rubriek I van deze uitspraak vermelde zittingen is uitvoerig ingegaan op de vraag of de werkgeefster, die op grond van vaste rechtspraak van de Raad belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van Pro de Awb bij besluitvorming van het Uwv over toekenning, herziening of intrekking van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, in dit geval ook een concreet belang had bij het maken van bezwaar tegen het besluit van 16 februari 2007. Het Uwv heeft voorts naar aanleiding van de zitting van 12 januari 2011 bij zijn in rubriek I eveneens vermelde brieven zijn standpunt terzake uitvoerig toegelicht.
4.2.1. De Raad stelt vast dat werkgeefster in haar bezwaarschrift geen concrete vordering heeft geformuleerd en dat zij heeft verzocht haar niet als belanghebbende aan te merken bij het besluit van 16 februari 2007. Het Uwv heeft bij het bestreden besluit, zoals in overweging 2 is vermeld, werkgeefster wel als belanghebbende aangemerkt bij het besluit van 16 februari 2007. Uit het proces-verbaal van de hoorzitting van 12 juni 2008, waar ook werkgeefster vertegenwoordigd was, heeft de Raad niet kunnen opmaken dat het Uwv naar aanleiding van het bezwaar van werkgeefster heeft onderzocht wat zij met dit bezwaar beoogde. Ter zitting van de Raad van 13 januari 2012 is in feite ook niet ontkend dat dit onderzoek niet heeft plaatsgevonden.
4.2.2. De Raad stelt vast dat, zoals ter zitting van 12 januari 2011 reeds ter sprake is gekomen, op grond van de Wet WIA voor de werkgeefster geen (financiële) verplichtingen gelden in het geval dat is vastgesteld dat een werknemer recht heeft op een IVA-uitkering. Voorts heeft, als in overweging 4.2.1 is vastgesteld, werkgeefster bij het maken van bezwaar aangegeven geen belanghebbende te zijn en heeft zij ook geen vordering ingediend op grond waarvan zou kunnen dan wel moeten worden aangenomen dat zij uit andere hoofde dan op grond van de Wet WIA een concreet belang had bij het maken van het bezwaar. Niet kan dan ook - mede bij gebreke van een onderzoek daarnaar door het Uwv in de bezwaarprocedure - worden geoordeeld dat het enkele feit dat werkgeefster op grond van vaste rechtspraak van de Raad, welke inhoudt dat een werkgever als een zogenoemd categoraal belanghebbende heeft te gelden bij besluiten als bedoeld in overweging 4.1 en welke rechtspraak zijn neerslag heeft gevonden in onder andere de uitspraken van de Raad van 13 februari 2002 (LJN AD9985), 21 november 2008 (LJN BG5792) en 28 januari 2011 (LJN BP2422), reeds meebrengt dat zij ook moet worden geacht bij het maken van haar bezwaar een concreet belang te hebben. Daarvoor is immers - in lijn met reeds de uitspraak van de Raad van eveneens 13 februari 2002 (LJN AE0916) en voorts die van 21 november 2008 en 28 januari 2011 - ook vereist dat het resultaat dat de indiener van het bezwaar- of (hoger)beroepschrift met het maken van bezwaar of indienen van (hoger) beroep nastreeft ook daadwerkelijk bereikt kan worden en het realiseren daarvan voor betrokkene feitelijke betekenis niet kan worden ontzegd. Uit het bezwaarschrift van werkgeefster valt echter niet op te maken welk resultaat haar daarbij voor ogen stond.
4.3. Op grond van de overwegingen 4.2.1 en 4.2.2 concludeert de Raad dat werkgeefster, ook al is zij op grond van in overweging 4.2.2 vermelde vaste rechtspraak belanghebbende bij het besluit van 16 februari 2007, in dit geval geen concreet belang had bij het maken van bezwaar daartegen. Het standpunt van het Uwv, zoals neergelegd in de brieven van 22 februari en 6 mei 2011, komt er, naar de Raad begrijpt in verband met ook het verhandelde ter zitting van 12 januari 2012, in essentie op neer dat bij arbeidsongeschiktheidsbesluiten, waarbij ook de positie van de werkgever aan de orde is, de vragen of die werkgever belanghebbende is bij die besluiten en (proces)belang heeft bij een procedure daartegen niet gescheiden van elkaar, al dan niet in de tijd, dienen te worden onderzocht maar tezamen als zijnde met elkaar verweven moeten worden beschouwd. Indien een gescheiden beoordeling niettemin aangewezen wordt geacht, dient naar de mening van het Uwv in het geval dat het belang van de werkgever wordt verondersteld ook het procesbelang te worden aangenomen. Dit standpunt doet aan de aan het begin van deze overweging geformuleerde conclusie op basis van de overwegingen 4.2.1 en 4.2.2 niet af, wat daar verder in het licht van de in overweging 4.2.2 vermelde vaste rechtspraak van de Raad overigens ook van zij.
4.4. Op grond van overweging 4.3 dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Hetzelfde geldt voor het bestreden besluit. Voorts dient te worden bepaald dat het bezwaar van werkgeefster niet-ontvankelijk is.
5.1. De Raad stelt vast nog niet te kunnen beslissen over de vordering van appellant tot vergoeding van de wettelijke rente over de ten onrechte niet betaalde uitkering. Gelet op het feit dat het Uwv bij het bestreden besluit op inhoudelijke gronden heeft beslist over intrekking van de IVA-uitkering, kan niet worden uitgesloten dat het Uwv daartoe alsnog besluit op vergelijkbare gronden als neergelegd in het bestreden besluit.
5.2. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 437,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.081,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Verklaart het bezwaar van werkgeefster niet-ontvankelijk.
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.081,-, te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 149,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2012.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) I.J. Penning.
KR