ECLI:NL:CRVB:2012:BV7127

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-4380 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 65, eerste lid, AbwArt. 17, eerste lid, WWBArt. 7, eerste lid, AbwArt. 11, eerste lid, WWBArt. 54, derde lid, WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand en terugvordering wegens schending inlichtingenplicht bij autotransacties

Appellant ontving sinds 1998 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Roermond trok bij besluit van 10 juli 2008 de bijstand over meerdere maanden in en vorderde de gemaakte kosten terug, omdat appellant niet had gemeld dat kentekens van auto’s en een aanhangwagen op zijn naam stonden en deze waren overgedragen aan derden. Tevens werd de langdurigheidstoeslag ingetrokken en teruggevorderd en werd een maatregel opgelegd.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant in hoger beroep ging. Hij stelde dat hij slechts vriendendiensten verrichtte door te bemiddelen bij de aankoop van auto’s en dat hij hiervoor geen inkomsten ontving. De Raad stelde vast dat appellant regelmatig kentekens op zijn naam had staan en dat hij deze auto’s en aanhangwagen aan derden had overgedragen zonder dit aan het college te melden.

De Raad oordeelde dat het doorverkopen of bemiddelen bij auto’s op geld waardeerbare activiteiten zijn en dat appellant daarmee de inlichtingenplicht had geschonden. Omdat appellant geen controleerbare gegevens over inkomsten verstrekte, kon niet worden vastgesteld of hij recht op bijstand had. Het college was daarom bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van bijstand en terugvordering bevestigd.

Uitspraak

09/4380 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 25 juni 2009, 09/143 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond (hierna: college)
Datum uitspraak: 28 februari 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. K.P.E. van Tulden, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Tulden. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Ivanovic, werkzaam bij de gemeente Roermond.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontving sinds 18 mei 1998, met een korte onderbreking, bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.
1.2. In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand is door de sociale recherche van de gemeente Roermond onder meer informatie ingewonnen bij de Dienst Wegverkeer (RDW) en is door appellant op 5 juni 2008 een verklaring afgelegd over de veertien kentekens die in de periode van oktober 2001 tot en met december 2007 een dag of langer op zijn naam geregistreerd hebben gestaan. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van
9 juni 2008.
1.3. De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 10 juli 2008 de bijstand van appellant in te trekken over de maanden oktober 2001, januari 2003, maart, juli, november en december 2005, juni, juli, augustus en december 2006 en februari, maart, oktober en december 2007 en de gemaakte kosten van bijstand over die maanden tot een bedrag van € 13.038,41 bruto van appellant terug te vorderen. Aan de intrekking van de bijstand heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de tenaamstelling van de kentekens en dat als gevolg daarvan over de maanden waarin de transacties van de auto’s en aanhangwagen hebben plaatsgevonden het recht op bijstand niet is vast te stellen. Verder heeft het college de op 20 november 2006 en 20 november 2007 aan appellant toegekende langdurigheidstoeslag ingetrokken en teruggevorderd tot een bedrag van € 667,--. Tot slot heeft het college bij wijze van maatregel de bijstand van appellant met ingang van 1 augustus 2008 met 100% verlaagd voor de duur van een maand.
1.4. Bij besluit van 9 december 2008 heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 juli 2008 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 9 december 2008 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij stelt zich - samengevat - op het standpunt dat geen sprake is van schending van de inlichtingenverplichting, aangezien hij niet in auto’s heeft gehandeld. Hij heeft slechts bemiddeld bij de aanschaf van auto’s voor vrienden en als vriendendienst de kentekens van deze auto’s op zijn naam gezet. Appellant heeft voor deze bemiddeling geen inkomsten ontvangen, hetgeen - volgens zijn zeggen - ook blijkt uit de door hem in bezwaar overgelegde verklaringen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Uit de kentekenregistratie van de RDW blijkt dat in de periode van 1 oktober 2001 tot en met 31 december 2007 regelmatig kentekens op naam van appellant hebben gestaan. Appellant heeft hiervan geen melding gemaakt aan het college. Door appellant wordt niet betwist dat de auto’s en aanhangwagen aan derden zijn overgedragen. De Raad gaat er verder vanuit dat de datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van appellant staat, de datum is waarop de betreffende transactie heeft plaatsgevonden. Uit het voorgaande volgt dat appellant in de maanden oktober 2001, januari 2003, maart, november en december 2005, juni, juli, augustus en december 2006 en februari, maart, oktober en december 2007 telkens één auto heeft overgedragen en in juli 2005 een aanhangwagen.
4.2. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het hier uitsluitend om het verrichten van vriendendiensten gaat. De door appellant in bezwaar overgelegde verklaringen kunnen hiertoe niet dienen noch de door de trajectbegeleider van appellant opgestelde verklaring van 10 oktober 2008. De Raad kan zich in dit opzicht geheel verenigen met het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen en hij maakt deze dan ook tot de zijne. Voorts is in dit verband nog van belang dat appellant tegenover de sociale recherche heeft verklaard dat hij wel eens heeft geadverteerd met auto’s in het blaadje “[naam blaadje]t” en voorts dat hij weet dat de bijstand geen vetpot is en hij daarom ook graag met auto’s bezig is.
4.3. Het doorverkopen van auto’s, dan wel de bemiddeling bij aankoop hiervan, kan worden aangemerkt als op geld waardeerbare activiteiten. Nu appellant hiervan geen mededeling heeft gedaan aan het college, heeft hij in de maanden waarin de transacties van auto’s hebben plaatsgevonden, de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) respectievelijk artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Deze schending levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene feiten te stellen en zo nodig te bewijzen dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond. Appellant heeft geen controleerbare gegevens verschaft over de met de transacties verworven inkomsten. Daarom kan over de maanden in geschil niet meer worden vastgesteld of, en zo ja, in welke mate, appellant verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw respectievelijk artikel 11, eerste lid, van de WWB.
4.4. In hetgeen hiervoor is overwogen ligt besloten dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand over de onder 4.1 genoemde maanden. Daaruit vloeit voort dat het college tevens bevoegd was tot terugvordering ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, van de gemaakte kosten van bijstand over deze maanden. Appellant heeft de wijze waarop het college van zijn bevoegdheid tot intrekking en terugvordering gebruik heeft gemaakt niet bestreden.
4.5. Appellant heeft geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd ten aanzien van de bevoegdheid tot intrekking en terugvordering van de langdurigheidstoeslag noch tegen de wijze waarop het college van zijn bevoegdheid hiertoe gebruik heeft gemaakt. Evenmin zijn door appellant ten aanzien van de hem opgelegde maatregel zelfstandige beroepsgronden aangevoerd. Het oordeel van de rechtbank over deze onderdelen behoeft dan ook geen bespreking.
4.6. Gelet op het voorafgaande komt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2012.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) J. de Jong.
HD