ECLI:NL:CRVB:2012:BV7225
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens benadelingshandeling bij beëindiging dienstverband tijdens ziekte
Appellant was werkzaam als brandwacht op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die per 1 februari 2010 werd beëindigd. Na beëindiging vroeg appellant een WW-uitkering aan, die werd geweigerd omdat hij arbeidsongeschikt was. Vervolgens meldde hij zich met terugwerkende kracht ziek per 1 februari 2010 en vroeg een ZW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd op grond dat appellant niet ongeschikt was voor arbeid en subsidiair dat hij een benadelingshandeling had gepleegd door zich niet te verweren tegen het beëindigen van het dienstverband tijdens ziekte.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet de subsidiaire grond onbesproken. In hoger beroep stelde appellant dat hij vanaf 1 februari 2010 niet kon werken en dat hij het niet eens was met de beëindiging van het dienstverband. De Raad overwoog dat het primaire standpunt van het UWV niet meer werd gehandhaafd omdat geen medische beoordeling was verricht. De beoordeling richtte zich daarom op de subsidiaire grond: de benadelingshandeling.
De Raad concludeerde dat appellant geen juridische actie had ondernomen tegen de beëindiging van het dienstverband en dat hij hiermee zelf ontslag had genomen. Hierdoor had hij geen recht op loondoorbetaling door de werkgever en was het UWV terecht geweigerd ziekengeld toe te kennen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van ziekengeld bevestigd.