ECLI:NL:CRVB:2012:BV7517
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geschiktheid voor arbeid en intrekking Ziektewetuitkering na WAO-herbeoordeling
Appellante was productiemedewerker tuinbouw en viel in 2001 uit wegens gezondheidsklachten, waarna zij een WAO-uitkering ontving. Na een herbeoordeling in 2008 werd haar WAO-uitkering ingetrokken omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg, waarbij zij geschikt werd geacht voor diverse functies. In 2008 meldde zij zich ziek met nieuwe klachten en ontving zij een Ziektewetuitkering.
Na medisch onderzoek verklaarde de verzekeringsarts haar per 13 juli 2009 geschikt voor arbeid, waarna het UWV haar Ziektewetuitkering introk. Appellante maakte bezwaar en stelde dat haar beperkingen werden onderschat en dat niet alle klachten waren onderzocht. Zij wilde ook de WAO-beoordeling opnieuw laten meewegen en verwees naar de Wet Amber.
De Raad oordeelde dat het begrip 'zijn arbeid' in de Ziektewet verwijst naar de laatst verrichte arbeid, maar dat bij langdurige ziekte en blijvende ongeschiktheid de WAO-functies als maatstaf gelden. Appellante maakte niet aannemelijk dat haar beperkingen waren toegenomen ten opzichte van de WAO-beoordeling. Het medische onderzoek was zorgvuldig en het bezwaar werd ongegrond verklaard.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Er was geen aanleiding tot aanvullend feitenonderzoek door de rechtbank en de aanspraken onder de WAO konden niet in deze Ziektewetprocedure worden betrokken. Verzoek tot schadevergoeding werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot intrekking van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd.