ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0845
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- H.J. Simon
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewijzigde vaststelling arbeidsongeschiktheidsuitkering op 15-25%
Appellant, arbeidsongeschikt sinds 1985, kreeg aanvankelijk een uitkering van 80-100%, die in 1988 werd ingetrokken. Na herhaalde ziekmeldingen en medische beoordelingen werd zijn uitkering vanaf 2001 vastgesteld op 15 tot 25% arbeidsongeschiktheid. In 2008 vond een herbeoordeling plaats waarbij de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige concludeerden dat de beperkingen onveranderd waren en passend binnen de 15-25% klasse.
Appellant voerde bezwaar aan met verwijzing naar rapportages van het Instituut Psychosofia en andere medische stukken, stellende dat zijn klachten waren toegenomen en dat het medisch onderzoek onvoldoende was. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat de medische situatie onveranderd was en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de rechtbank ten onrechte geen zelfstandig feitenonderzoek had gedaan en dat de FML onjuist was vastgesteld, met name ten aanzien van psychische klachten zoals paniekaanvallen en slaapproblemen. De Raad oordeelde dat het primair aan het UWV is om medische feiten aan te leveren en dat de rechtbank niet gehouden is tot zelfstandig feitenonderzoek. De Raad bevestigde dat het UWV zorgvuldig en conform vereisten had gehandeld en dat de rapportages van het Instituut Psychosofia niet als medische gegevens kunnen worden aangemerkt.
De Raad concludeerde dat appellant onvoldoende medische gegevens had ingebracht om twijfel te rechtvaardigen over de vastgestelde belastbaarheid en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellant ongewijzigd blijft op 15 tot 25%.