ECLI:NL:CRVB:2012:BV7845
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek kwijtschelding restschuld na dwanginvordering
Appellant heeft tussen 1997 en 2002 afgelost op een schuld via dwanginvordering door middel van loonbeslag, waarna hij vanaf oktober 2002 zelf aflost. Het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage wees het verzoek tot kwijtschelding van de restschuld af op grond van het gemeentelijk debiteurenbeleid, dat kwijtschelding uitsluit indien sprake is geweest van aflossing via dwanginvordering en de aflossingsperiode nog geen tien jaar bedraagt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond en oordeelde dat het college conform beleid heeft gehandeld. Tevens merkte de rechtbank op dat de berekende einddatum van de aflossing (april 2014) niet ter beoordeling stond.
In hoger beroep betoogde appellant dat het beslag onterecht was gelegd en dat hij een redelijk voorstel tot aflossing had gedaan. Ook stelde hij dat de rechtbank zich niet had mogen uitlaten over de einddatum van de aflossing. De Raad verwierp deze gronden, oordeelde dat het beslag terecht was gelegd en dat de opmerking over de einddatum een niet-bindende overweging was.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek tot kwijtschelding van de restschuld wordt afgewezen omdat aflossing via loonbeslag heeft plaatsgevonden en het gemeentelijk beleid dit uitsluit.