ECLI:NL:CRVB:2012:BV7896
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet-melding nalatenschap
Appellante ontving sinds 2004 bijstand op grond van de WWB. Na het overlijden van haar vader in 2006 kreeg zij een nalatenschap van ruim €43.000, die in juli 2007 op haar rekening werd bijgeschreven. Het college herzag de bijstand en besloot deze met terugwerkende kracht in te trekken en de kosten terug te vorderen over de periode vanaf september 2006 tot augustus 2008.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij in hoger beroep ging. De Raad overwoog dat de aanspraak op de nalatenschap ontstond bij het overlijden van de vader en dat appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden door dit niet tijdig te melden. Het beroep op schulden en kosten ter vermindering van het vermogen werd niet aannemelijk gemaakt.
Het college was bevoegd de bijstand terug te vorderen, tenzij er dringende redenen waren om daarvan af te zien, maar die werden niet gevonden. Ook het beroep op de zogenaamde zes-maanden-jurisprudentie faalde. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.