ECLI:NL:CRVB:2012:BV8174

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-5252 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 WWBArt. 49 WWB
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor huurkosten ondanks lening en gezondheidsomstandigheden

Appellante vroeg bijzondere bijstand aan voor huurkosten van woonruimte waarvoor zij een lening bij haar tante had afgesloten. Het college wees de aanvraag af omdat reeds in de kosten was voorzien en bijzondere bijstand niet wordt verleend ter aflossing van schulden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat er bijzondere omstandigheden waren, zoals woningnood en haar gezondheidsproblemen (epilepsie en angststoornis), die rechtvaardigen dat zij bijzondere bijstand ontvangt.

De Raad oordeelde dat volgens artikel 13 van Pro de WWB geen recht op bijstand bestaat voor aflossing van schulden als degene beschikte over middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Appellante beschikte bij het ontstaan van de schuld over dergelijke middelen. De door appellante aangevoerde omstandigheden vormen geen zeer dringende redenen zoals bedoeld in artikel 49 van Pro de WWB.

Daarom bevestigde de Raad de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door C. van Viegen, in aanwezigheid van griffier R. Scheffer.

Uitkomst: De aanvraag voor bijzondere bijstand werd afgewezen omdat reeds in de kosten was voorzien en geen bijzondere bijstand wordt verleend voor schuldaflossing zonder zeer dringende redenen.

Uitspraak

11/5252 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 1 september 2011, 11/449, 11/450 en 11/451 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas (college)
Datum uitspraak: 7 maart 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2012. Voor appellante zijn verschenen mr. Verstraten en de moeder van appellante [naam moeder]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.W. van de Langemheen en S.R. Schipperheijn.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Op 28 september 2010 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in de kosten van de huur van woonruimte in [woonplaats] in de periode van 15 mei 2010 tot en met augustus 2010. Appellante woont met ingang van 1 september 2010 in deze woning in verband met een studie in Nijmegen. Appellante is om te kunnen voorzien in de betaling van de huur een lening bij haar tante aangegaan.
1.2. Bij besluit van 1 november 2010 heeft het college deze aanvraag van appellante afgewezen, voor zover hier van belang, op de grond dat reeds in de kosten is voorzien en geen bijzondere bijstand wordt verleend ter aflossing van een schuld.
1.3. Bij besluit van 14 maart 2011 (bestreden besluit), voor zover hier van belang, heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 1 november 2010 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak - voor zover hier van belang - heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan zij wel in aanmerking had moeten worden gebracht voor bijzondere bijstand.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet werk en bijstand (WWB) heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand.
4.2. Bij het ontstaan van de onder 1.1 vermelde schuld - en ook ten tijde in geding - beschikte appellante over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Gelet hierop is in dit geval - behoudens zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB - geen plaats voor verlening van bijzondere bijstand.
4.3. Appellante heeft aangevoerd dat zij vanwege de woningnood genoodzaakt was om de huur reeds voor de aanvang van haar studie en verhuizing te laten ingaan. Voorts heeft zij vanwege haar gezondheidsituatie - epilepsie en een angststoornis - de woonruimte gezamenlijk gehuurd met haar oudere zuster, die haar in de gaten kan houden en kan helpen.
4.4. In hetgeen door appellante is aangevoerd zijn geen zeer dringende redenen gelegen als bedoeld onder 4.2, zodat de Raad evenals de rechtbank tot de conclusie komt dat appellante geen recht had op bijzondere bijstand.
4.5. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2012.
(get.) C. van Viegen.
(get.) R. Scheffer.
HD