ECLI:NL:CRVB:2012:BV8520

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-2326 WAO-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet-betaling griffierecht in hoger beroep UWV

Appellant heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep waarin zijn hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht. De Raad stelde vast dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn van vier weken was ontvangen en dat appellant dit niet met bewijs had onderbouwd.

Tijdens de zitting op 16 januari 2012 waren partijen niet aanwezig. De Raad overwoog dat de betaling van het griffierecht voor hoger beroep afzonderlijk moest plaatsvinden en dat betaling bij de rechtbank daarvoor niet volstond. Omdat appellant geen bewijsstukken overlegde die het tegendeel aannemelijk maakten, werd het verzet ongegrond verklaard.

De Raad zag geen aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van het verzet. De uitspraak werd gedaan door T.G.M. Simons, in aanwezigheid van griffier D.W.M. Kaldenhoven, en op 27 februari 2012 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht.

Uitspraak

11/2326 WAO-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 maart 2011, 10/1358 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 27 februari 2012
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van
22 juli 2011 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 22 juli 2011 heeft appellant verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 16 januari 2012, waar partijen - het Uwv met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 22 juli 2011 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 27 mei 2011 gestelde termijn van vier weken is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
In de financiële administratie van de Raad is geen door of namens appellant gedane betaling aangetroffen.
In het verzetschrift heeft appellant verklaard dat hij van mening is dat het griffierecht, binnen de gestelde termijn, is betaald. Appellant heeft dit echter niet met bewijsstukken onderbouwd. Wellicht doelt appellant op het in beroep bij de rechtbank betaalde griffierecht. Voor het instellen van hoger beroep moet echter afzonderlijk griffierecht worden betaald.
Dit betekent dat het verzet ongegrond dient te worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2012.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.
JL