ECLI:NL:CRVB:2012:BV8556

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-3852 ANW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 8:88 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid verzoek om herziening wegens niet-betaling griffierecht ongegrond verklaard

Verzoekster heeft een verzoek tot herziening ingediend tegen een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Dit verzoek werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Verzoekster maakte bezwaar door verzet aan te tekenen, maar verscheen niet op de zitting.

De Raad overwoog dat het griffierecht niet tijdig was voldaan en dat verzoekster geen bewijs had geleverd van betaling. Ondanks haar verklaring dat zij het griffierecht na de termijn had betaald en haar moeilijke financiële situatie, kon dit niet worden aangetoond. De Raad concludeerde dat er geen feiten of omstandigheden waren die de eerdere uitspraak onjuist maakten.

Daarom werd het verzet ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De Raad had verzoekster meerdere malen de gelegenheid gegeven haar financiële situatie met bewijsstukken aan te tonen, maar verzoekster gaf aan daartoe niet in staat te zijn.

Uitkomst: Het verzet van verzoekster is ongegrond verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

10/3852 ANW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, in verbinding met artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet op het verzoek om herziening van:
[Verzoekster], wonende te [woonplaats] (Marokko), (hierna: verzoekster),
van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 mei 2010, 09/6484,
in het geding tussen:
verzoekster
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)
Datum uitspraak: 27 februari 2012
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 29 juli 2011 heeft de Raad het door verzoekster gedane verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 26 mei 2010, 09/6484, niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 29 juli 2011 heeft verzoekster verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 16 januari 2012, waar partijen - de Svb met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 29 juli 2011 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 8 november 2010 gestelde (laatste) termijn van twaalf weken is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat verzoekster niet in verzuim is geweest.
In het verzetschrift heeft verzoekster verklaard dat zij het griffierecht na afloop van de gestelde termijn heeft betaald. Ook heeft zij eraan herinnerd dat zij de Raad al in een eerder stadium heeft gewezen op haar moeilijke financiële positie.
In de financiële administratie van de Raad is geen door of namens verzoekster gedane betaling aangetroffen.
De Raad stelt vast dat verzoekster geen bewijsstukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij het griffierecht inderdaad heeft betaald.
Met de door verzoekster gestelde financiële situatie is rekening gehouden in die zin dat de Raad verzoekster een ruime termijn heeft gegeven om het verschuldigde griffierecht te voldoen. Op de brieven van de Raad van 11 januari 2011 en
11 februari 2011, waarin de Raad verzoekster - wederom - in de gelegenheid heeft gesteld haar moeilijke financiële positie aan de hand van bewijsstukken aannemelijk te maken, heeft verzoekster gereageerd met de mededeling dat zij niet in staat is het griffierecht te betalen en dat zij daarvoor geen bewijs heeft.
De Raad is van oordeel dat verzoekster in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die leiden tot het oordeel dat de uitspraak van de Raad van 29 juli 2011 onjuist is.
Dit betekent dat het verzet ongegrond moet worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2012.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.
TM
III. DÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale),
statue:
Déclare le recours non fondé.
Par conséquent, décidée par T.G.M. Simons, en présence de D.W.M. Kaldenhoven en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, 27 février 2012.