ECLI:NL:CRVB:2012:BV8978

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-669 WAO-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet niet-ontvankelijk wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding in WAO-zaken

Appellant diende verzet in tegen een eerdere uitspraak van de Raad van 27 mei 2011, waarin zijn hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard. De Raad stelde vast dat het verzetschrift ruim na de uiterste termijn was ingediend, namelijk op 11 augustus 2011 in plaats van uiterlijk 8 juli 2011.

Appellant voerde aan dat zijn gezondheidstoestand hem verhinderde tijdig te reageren. Desondanks overhandigde hij geen medische stukken die dit gedurende de gehele termijn konden bevestigen. De Raad concludeerde dat er geen feiten of omstandigheden waren die het verzuim konden rechtvaardigen.

Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het verzet niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De beslissing werd genomen in het openbaar op 27 februari 2012 door rechter T.G.M. Simons, met griffier D.W.M. Kaldenhoven.

Uitkomst: Het verzet wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

11/669 WAO-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 december 2010, 10/2026 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
Datum uitspraak: 27 februari 2012
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 27 mei 2011 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 27 mei 2011 heeft appellant verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 16 januari 2012, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad ziet zich allereerst, ambtshalve, gesteld voor de vraag naar de ontvankelijkheid van het verzet.
De laatste dag waarop tijdig een verzetschrift kon worden ingediend, was 8 juli 2011. Het door appellant ingediende verzetschrift is gedateerd 28 juli 2011 en is op 11 augustus 2011 bij de Raad ontvangen. De termijn voor het indienen van een verzetschrift is aldus
- ruim - overschreden.
Bij brief van 18 augustus 2011 heeft de Raad bij appellant geïnformeerd naar de reden van de termijnoverschrijding. Bij brief van 16 september 2011 heeft appellant geantwoord dat hij in verband met zijn gezondheidstoestand niet in staat is geweest om tijdig een verzetschrift in te dienen.
De Raad stelt vast dat appellant geen medische stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij gedurende de gehele verzetstermijn buiten staat is geweest een verzetschrift in te (laten) dienen. Nu ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat appellant niet in verzuim is geweest, moet het verzet daarom
niet-ontvankelijk worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2012.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.
III. DÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale),
statue:
Déclare l' opposition contre la présente décision interjeté non-recevable.
Par conséquent, décidée par T.G.M. Simons en présence de D.W.M. Kaldenhoven en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 27 février 2012.