ECLI:NL:CRVB:2012:BV9002
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten terugvordering bijstand wegens onjuiste periode gezamenlijke huishouding
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Almere over de terugvordering van bijstand. In een eerdere tussenuitspraak was bepaald dat het college het besluit van 17 januari 2008 moest herstellen, omdat niet was komen vast te staan dat appellant en de betrokkene een gezamenlijke huishouding voerden in de periode van 1 april 2004 tot 1 augustus 2005.
Het college nam nadere besluiten waarin het terugvorderingsbedrag werd vastgesteld over twee perioden: van 25 juni 2003 tot 31 maart 2004 en van 1 augustus 2005 tot 3 september 2007. Appellant betwistte dat hij in de eerste periode een gezamenlijke huishouding voerde. De Raad oordeelde dat het college onjuist uitvoering had gegeven aan de tussenuitspraak door ook de periode van 25 juni 2003 tot 31 maart 2004 mee te nemen, omdat deze buiten het geding viel.
De besluiten van 12 juli en 10 oktober 2011 werden daarom vernietigd en het college werd opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd een dwangsom opgelegd voor het geval het college in gebreke blijft binnen vier weken een nieuw besluit te nemen. Het college werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De bestreden besluiten worden vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.