ECLI:NL:CRVB:2012:BV9273
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging beslissing weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant verzocht om een WIA-uitkering, welke door het UWV werd geweigerd omdat hij per 5 februari 2009 minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat er geen aanwijzingen waren dat de belastbaarheid was overschat en dat geplande medische onderzoeken niet relevant waren voor de datum in geding.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank onjuist handelde door de onderzoeksresultaten van longartsen niet af te wachten, die wezen op slaapapneu en concentratieproblemen die zijn belastbaarheid ernstig zouden beperken. De Raad benoemde een deskundige longarts die bevestigde dat appellant waarschijnlijk op de datum in geding leed aan het slaapapneusyndroom, wat de belastbaarheid mogelijk had doen overschatten.
Het UWV stelde dat de aangepaste functionele mogelijkhedenlijst (FML) van oktober 2010, rekening houdend met de slaapapneu, geen aanleiding gaf tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid dan 35%. De Raad oordeelde dat de medische beoordeling van het UWV achteraf niet juist was en vernietigde de uitspraak van de rechtbank. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit van het UWV vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit bleven in stand. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt gegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt vernietigd, met inachtneming van de rechtsgevolgen en vergoeding van proceskosten.