ECLI:NL:CRVB:2012:BW0326
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek erkenning als vervolgde op grond van verblijf in loods in voormalig Nederlands-Indië
Appellante verzocht in augustus 2010 om erkenning als vervolgde dan wel gelijkstelling met de vervolgde op grond van haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië. Verweerder wees dit verzoek af en handhaafde deze beslissing na bezwaar. Appellante stelde dat zij geïnterneerd was geweest in een loods in Soekoredjo en beriep zich op het gelijkheidsbeginsel, verwijzend naar haar stiefzuster die wel als vervolgde was erkend.
De Raad overwoog dat volgens artikel 2 van Pro de Wuv vervolging onder meer vrijheidsberoving door opsluiting in kampen of gevangenissen omvat. Hoewel het verblijf van appellante in de loods niet werd betwist, werd sinds 2003 dit verblijf niet meer als internering aangemerkt omdat het vermoedelijk een opvanglocatie voor vrouwen en kinderen zonder middelen van bestaan betrof. Dit standpunt werd ook in het geval van appellante gehandhaafd, mede omdat zij geen nieuwe gegevens had aangeleverd.
De Raad concludeerde dat het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan door A. Beuker-Tilstra op 29 maart 2012.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het verzoek om erkenning als vervolgde wordt afgewezen.