ECLI:NL:CRVB:2012:BW0457
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing langdurigheidstoeslag wegens hogere arbeidsinkomsten dan bijstandsnorm
Appellante ontving vanaf november 2004 tot september 2006 bijstand als alleenstaande ouder. Gedurende een periode van september tot december 2006 had zij inkomsten uit arbeid die hoger waren dan de bijstandsnorm. Na beëindiging van haar dienstverband vroeg zij opnieuw bijstand aan, welke werd toegekend vanaf februari 2007.
In februari 2009 vroeg zij een langdurigheidstoeslag aan voor het jaar 2008. Het college wees deze aanvraag af omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden dat zij in de referteperiode van 60 maanden geen of weinig inkomsten uit arbeid mocht hebben gehad. Appellante maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit besluit.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij haar recht op toeslag niet had verloren door een korte periode van inkomsten en dat het college de criteria te strikt interpreteerde. De Raad oordeelde echter dat omdat zij gedurende de referteperiode inkomsten had die hoger waren dan de bijstandsnorm, zij niet voldeed aan artikel 36, eerste lid, onder a, van de WWB. Hierdoor kon niet worden beoordeeld of de uitzondering onder onder b van toepassing was.
De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De afwijzing van de langdurigheidstoeslag wordt bevestigd omdat appellant inkomsten uit arbeid had die hoger waren dan de bijstandsnorm.